☰ Menu

W. van Vlastuin, In Christus gedoopt. Ons doopformulier voor hart en hoofd, Uitgeverij De Banier, Apeldoorn 2025, 2e druk, ISBN 978 94 0291 2302

W. van Vlastuin, hoogleraar aan de Vrije Universiteit en rector van het Hersteld Hervormd Seminarium, schreef een lijvig werk (431 bladzijden) over de doop. Aan de hand van het klassieke kinderdoopformulier, oorspronkelijk geschreven door Petrus Datheen (1531-1588) (blz. 13), mediteert Van Vlastuin over wat de doopvanuit het perspectief van de gedoopte gelovige betekent. In de eerste 315 bladzijden komt de kinderdoop slechts zijdelings ter sprake.

Oneliners

Van Vlastuin wil vooral stilstaan bij wat God de gelovige in de doop heeft gegeven. Daarin zit de grote waarde van zijn boek met vele oneliners, die te denken geven (bijvoorbeeld ‘In de rechtvaardiging sterft Christus voor ons, in de heiliging sterven wij voor Christus’ (blz. 152); ‘Het is geen wonder als het kwaad ‘goede’ mensen treft, maar het is een wonder dat het goede kwade mensen treft’ (blz. 149); De oude mens ‘zoekt de hemel, maar niet de God van de hemel. Hij wil wel na dit leven naar de hemel, maar hij wil in dit leven niet hemels leven.’ (blz. 252); ‘Betrouwen op de Heere is niet iets doen, maar het is niets doen’ (blz. 262)).
Eerst volgt hier een samenvatting van de inhoud, waarna in het commentaar dieper wordt ingegaan op Van Vlastuins (doop)visie.

Sterven én opstaan

Van Vlastuin interpreteerde het Evangelie jarenlang vanuit de ellende van de mens: je bent een zondaar, Jezus betaalt de schuld van de zondaar en je kunt naar de hemel (blz. 16). Maar dat is te beperkt. Het gaat niet alleen om vergeving, maar ook om vernieuwing, vervulling en verheerlijking (blz. 17). We moeten sterven in en opstaan met Christus. Zo ontvangen we een nieuwe identiteit (blz. 18), al blijven we zondaar (blz. 26, 28). Door wedergeboorte gaan we van de positie van kinderen des toorns over tot de positie van kinderen van God (Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 34) (blz. 26), die levenslang blijven bidden dat God hun misdaden vergeeft (blz. 27).

Erfzonde en doop

De doop benadrukt de breuk die wij door onze zonde bewerkten. Maar als christenen staan we daar vaak niet bij stil. ‘We kabbelen rustig naar de eeuwigheid. Onze enige onrust is dat we in tegenspoed naar voorspoed verlangen en in voorspoed de tegenspoed vrezen’ (blz. 34). We zijn van nature vijanden van God (Romeinen 8:7). ‘Dit inzicht breekt mijn zelfhandhaving’ (blz. 39). Ieder mens is belast is met de erfzonde. Voor Augustinus was dit een belangrijk motief om te pleiten voor de kinderdoop: alleen Gods genade kan een kind redden (blz. 41). Van Vlastuin: ‘Deze genade is niet afhankelijk van de instemming van het kind, maar zorgt voor de instemming van het kleinste kind. Daarom laten we ons kind dopen. We laten ons kind dopen, omdat we voor elk kind op Gods genade hopen’ (blz. 42).

Wedergeboorte, geloof, bekering

‘Serieuze kerkmensen zijn niet automatisch burgers van Gods Koninkrijk. Het recht op, noch de geschiktheid voor de hemel krijgen we mee door onze eerste geboorte’ (blz. 45). Wedergeboorte is ‘Gods wil, Gods werk en Gods genade’: we worden niet wedergeboren ‘door onze wil, onze werken en ons berouw’. ‘Door de doop doodt God het leven uit onszelf’ (blz. 45).
De Dordtse Leerregels stellen dat wedergeboorte vooraf gaat aan geloof en bekering. Dat is de wedergeboorte in engere zin. In de Nederlandse Geloofsbelijdenis wordt wedergeboorte opgevat als gevolg van geloof en bekering. Dat is de wedergeboorte in bredere zin, de levenslange wedergeboorte (blz. 52-53).

Levenslange wedergeboorte

Wedergeboorte ziet Van Vlastuin dus niet beperkt tot één moment, het (eenmalig) krijgen van een nieuw hart of een ‘Paulus-bekering’ (blz. 49), maar als het christelijke leven, de ‘levenslange wedergeboorte’ (blz. 52-53): ‘O zeker, we worden eenmalig in Christus herboren, maar deze eenmalige geboorte is een levenslange wedergeboorte waarbij de doding van onze oude natuur en de opstanding van de nieuwe natuur onafgebroken doorgaan’ (blz. 177). ‘We moeten elke dag bidden om de vernieuwing van ons hart’ […] ’Onze enige troost in leven en sterven is niet dat wij een nieuwe mens zijn, maar dat wij van de Nieuwe Mens zijn. Het nieuwe hart is geen vervanging van Jezus Christus, het Woord en het geloof. Het nieuwe hart is niets anders dan dat de Nieuwe Mens ons leven is en ons in de nieuwe schepping laat delen (Gal. 2:20; 2 Kor. 5:17)’ (blz. 52).
De kern van het heil is de vergeving van zonden, de herstelde, levende relatie met God. We moeten daarom niet focussen op een wedergeboorte-moment, alsof pas daarna God onze Vader wil zijn (blz. 50-51).

Kuyperiaans denken

De wedergeboorte is niet, zoals bij Kuyper, een ‘kiem’, een ‘ingestort geloofsvermogen’, het ‘beginsel van nieuw leven’. Kuyper redeneerde vanuit de individuele mens, het subject, de subjectieve wedergeboorte. Hij beriep zich op de traditie dat er onderscheid is tussen de habitus (het hebben van) en de actus (de daad) van het geloof (blz. 46). Hoewel in de gereformeerde gezindte afstand is genomen van Kuypers denken, leeft nog wel het idee dat de wedergeboorte een soort substantie in ons is: een ingrijpend moment waardoor we een ‘nieuw hart’ ontvangen (zie Ezechiël 36:26) (blz. 46-47), als een eerste begin van geestelijk leven, waaruit het geestelijk leven organisch opbloeit (blz. 54). De wedergeboorte is geen doel in zichzelf, maar is gericht op goede werken (Efeze 2:10), de levende hoop (1 Petrus 1:3), de wedergeboorte van de schepping (Mattheüs 19:28) (blz. 48).

Schepping en herschepping

Op deze aarde zijn we tweemens: zondaar (onze oude, natuurlijke mens) én in Christus een nieuw, geestelijk mens, delend in Gods natuur (2 Petrus 1:4; 1 Korinthe 2:14). De complete verlossing van onze oude mens zal pas plaatsvinden als we sterven. ‘Zo werkt zelfs de macht van de dood mee om ons te bevrijden van de macht van de zonde’ (blz. 54, 223). De herschepping van hemel en aarde, het Koninkrijk van God (de wedergeboorte, zie Mattheüs 19:28), zal zich in de Wederkomst van Christus voltrekken en voltooien. Onze persoonlijke wedergeboorte is het eerste begin van de kosmische herschepping (Romeinen 8:23) (blz. 55). Christenen leven vanuit die toekomst (blz. 224).
De achtste dag, voorbij de zeven dagen van de schepping, duidt op de opstanding van Christus, de nieuwe werkelijkheid. Dat kwam in de Middeleeuwen tot uiting in achthoekige doopvonten. Overigens worden Joden ook besneden op de achtste dag na de geboorte (blz. 55).

Besprenging en onderdompeling

De onderdompeling in het doopwater beeldt uit, dat we delen in Jezus’ sterven en begrafenis (blz. 56). In de doop wordt het oude leven begraven (Romeinen 6:4; Colossenzen 2:12) en de dopelingen ontvangen een nieuwe identiteit in Christus (blz. 56). De besprenging met doopwater verwijst naar de nieuwtestamentische vervulling van de oudtestamentische besprenging met bloed van het offer. Door besprenging met bloed werd het verbond ingewilligd (Exodus 24:1-11; Hebreeën 10:18-22, Hebreeën 12:24).
Van Vlastuin stelt vijf vragen bij de huidige dooppraktijk: ‘zou het kunnen zijn dat we door het gebruik van de besprenging de betekenis van de onderdompeling niet meer zien, namelijk de wedergeboorte in de eenheid met Christus’ sterven en begrafenis? Ten tweede: zou het kunnen zijn dat de vermindering van het water samenhangt met een vermindering van de waardering van de doop? Ten derde: zou het kunnen zijn dat de besprenging meer functioneert als een teken van de afwassing van de zonden dan als een zegel ervan? Ten vierde: zou het kunnen zijn dat we door de besprenging het besef zijn verloren dat de doop het bad van de wedergeboorte is (Tit. 3:5)? Ten vijfde: zou het kunnen zijn dat we door de besprenging ook niet meer beseffen dat we door de doop begraven zijn in de doop van Christus (Rom. 6:3-4)?’(blz. 57).

Belofte en beloftevervulling

Er is een onderscheid tussen ‘belofte’ (aanzeggen) en ‘beloftevervulling’ (blz. 66), tussen ‘het vervulde heil in Christus’ en de uitdeling van dat heil in Christus, dat door de Geest aan ons wordt toegepast: de vergeving en vernieuwing, het ‘levenslange proces van wedergeboorte dat pas voltooid is als de geschiedenis is voltooid’ (blz. 68). We spreken over de belofte van de afwassing van de zonden in plaats van over de afwassing van de zonden (blz. 68). God belooft vergeving en wij hebben deel daaraan als we Zijn belofte van vergeving geloven. ‘Als zwaar gekrenkte Vader belooft Hij ons vergeving. Kun je dan nog zeggen dat de belofte geen vervulling is? Inderdaad, het vraagt van ons schulderkentenis in het aanvaarden van vergeving, maar de belovende God geeft Zijn vergevende hart geheel als Hij ons laat dopen in Zijn Naam’ (blz. 69).

Niet wedergeboorte, maar belovende God

We moeten volgens Van Vlastuin niet gericht zijn op de vervulling van de belofte in ons binnenste, niet op onze innerlijke wedergeboorte, maar we moeten gericht zijn op de belovende God. Ons houvast ligt niet in onze bevinding, maar in Gods spreken, in Gods belofte. Het heil is niet in onze handen, maar in Gods handen (blz. 70). De kern van het heil bestaat in de persoonlijke verzoening met God door Christus (blz. 72). Overigens, God belooft vergeving, maar door ongeloof kan dat teniet worden gedaan (Mattheüs 18) (blz. 76-77).

Object en subject

In de premoderniteit dacht men vanuit het geheel van de werkelijkheid. De mens was onderdeel van de grote kosmische orde. De moderniteit zette het individu, de mens centraal. Er kwam een scheiding tussen ‘object’ en ‘subject’ (blz. 77). Zo kijken we nu ook naar de doop: er is de objectieve belofte (in de doop) en de subjectieve vervulling in ons hart. Kuyper las in het dankgebed, dat daar uitgegaan werd van veronderstelde wedergeboorte (subjectief). De reactie daarop was, dat veel theologen uitgingen van verondersteld niet-wedergeboren. Ook subjectief! (blz. 78). Dit leidde vervolgens weer tot het benadrukken van de objectieve belofte. Wie echter niet zijn uitgangspunt neemt in het subject (de dopeling), maar in de objectieve belofte, blijft echter zitten met vragen rond de persoonlijke toepassing: wat geldt nu voor de dopeling? De discussie blijft zo gevangen in het object-subject denken van de moderniteit (blz. 79).

Niet beloftevervulling, maar leven uit Gods belofte

Om hieruit te komen, moet je terug naar het klassieke doopformulier. Daar draait het niet om het menselijk subject, ‘maar om het scharnierpunt van het goddelijk Subject in relatie tot mij als subject’ (blz. 79). Het gaat niet om het beleven van Gods genadige belofte van vergeving, maar om het geloof.
Volgens Vlastuin moeten we niet denken in termen van ‘beloofde vergeving’ en ‘ontvangen vergeving’. ‘Het geheim van het geloof is niet dat we uitzien naar de vervulling van Gods belofte, maar dat we leven uit Gods belofte’ (blz. 80). Gods belofte is als een huwelijksbelofte, niet objectief, maar relationeel. Van Vlastuin: Ik beloof mijn vrouw trouw te zijn en daar leeft ze uit. Ze ziet niet uit naar het moment dat deze belofte wordt vervuld (blz. 80, 81). God spreekt. Daar gaat het om. En niet om de subjectieve beleving in ons hart (blz. 81). Het is te simpel om te stellen: ‘Je bent Gods kind, tenzij je Hem verwerpt’ of ‘Je bent Gods kind niet, tenzij je gelooft’, hoewel dit allemaal waar is (blz. 82).

Huwelijksverbond

De doop is Gods huwelijksverbond met de dopeling. Het gaat om de hemelse Bruidegom. Zijn huwelijk is groter dan mijn geloof. Ook als mijn geloof wankelt, blijft dit huwelijk bestaan. ‘Want de waarheid van de doop hangt niet af van de waarheid van mijn geloof, maar mijn wankele geloof hangt helemaal aan de waarachtigheid van het huwelijk van de goddelijke Bruidegom met mij’ (blz. 83).
Om te leven uit Gods belofte moet je alle zelfvertrouwen verliezen en alleen de belofte / de doop / Christus / het Woord vertrouwen (blz. 85). ‘Zo zeker als ik gedoopt ben, zo zeker ben ik van Christus’. Dat verzekert ons de Geest (blz. 101).

Gemeenschap

Dopen in de Naam van de Vader, Zoon en Heilige Geest, betekent dat we gedoopt worden in opdracht van de Zoon (Mattheüs 28:19) (blz. 104), maar ook dat we in Gods openbaring worden gedompeld. We worden door de doop in gemeenschap met God gebracht en onteigend van onszelf. We ontvangen een nieuwe identiteit: we zijn niet los te denken van Christus en Christus is niet los te denken van ons (blz. 105). De doop is een liefdesverklaring van God: Hij verzekert dat ik Zijn kind ben (blz. 106). De doop is als een kus van een man aan zijn vrouw: het is een extra verzegeling van de liefde in zijn hart (blz. 109).

Verbondsleer

De kern van Gods verbond is: ‘Ik ben de Heere, uw God.’ Het verbond met Abraham (Genesis 17:4) wordt steeds vernieuwd (Mozaïtisch en Sinaïtische verbond, verbond met David, nieuwe verbond (Jeremia 31: 31-34; Ezechiël 37: 24-26) (blz. 115). Het verbond is eenzijdig gesloten door God (Genesis 17:7) (blz. 116). De verbondsgenade ontvangen we op grond van Christus’ werk (blz.117).
Bullinger schreef de eerste monografie over het verbond (1534). Met name na 1580 komt er meer aandacht voor de verbondsleer. (blz. 118).

Twee of drie verbonden

We kunnen denken vanuit een tweeverbondenleer (het werkverbond met Adam en het genadeverbond met alle uitverkorenen, met Christus als hoofd (Romeinen 5:12-21)) of vanuit de drieverbondenleer (het werkverbond, het verbond der verlossing tussen de Vader en de Zoon, waarin de uitverkorenen begrepen zijn en het verbond der genade met de hele gemeente in deze tijd). Gods relatie met Israël is dan het model voor Gods relatie met de gemeente (blz. 119-120). In dit verband wordt ook wel gesproken over de Adamspositie  (werkverbond), de Abrahamspositie (genadeverbond) en Christuspositie (verbond der verlossing) (blz. 120).
Het doopformulier past niet in deze modellen: behoren tot Gods verbond was inwisselbaar met behoren tot Christus (blz. 121). In het Oudnederlands heeft ‘willen’ (‘dat God onse Vader sijn vvil’) de betekenis van ‘zullen’ (blz. 124, blz. 191). Het formulier heeft trekken van de twee- en drieverbondenleer (blz. 121).
De onbekeerde gedoopte behoort volgens de tweeverbondenleer niet tot het genadeverbond, maar tot het werkverbond. In de drieverbondenleer behoort de onbekeerde gedoopte tot de Abrahamspositie, maar niet tot de Christuspositie (blz. 121).

Beloften voor bekeerden en onbekeerden

In de Bijbel zie je, dat het hele volk Israël heilig is (Deuteronomium 14:1-2). God noemt Zich de God van de afgodendienaar koning Achaz (Jesaja 7:11a) en het zondige volk (Jeremia 3: 13-14). God staat in relatie tot bekeerden en onbekeerden van Israël. Vlastuin concludeert: wedergeboorte is geen voorwaarde om de beloften aan ons gericht te doen zijn (blz. 123). Maar hij waarschuwt: pas op voor verbondsautomatisme, ‘waarin we over het verbond spreken zonder berouw en zonder geloof’ (blz. 128). De Bijbel spreekt in dit verband over het veronachtzamen van de grote zaligheid (Hebreeën 2:3; Hebreeën 10:29) (blz. 130).
Met een beroep op Psalm 37:25 stelt Van Vlastuin, dat God ook de Vader is van de kinderen van de gelovige (blz. 142).

Uiterlijk en innerlijk

In het Evangelie wordt de persoonlijke verzoening gegeven en aangeboden. ‘Door de uiterlijke belofte en de uiterlijke doop wekt de Geest het geloof in ons innerlijk. Het Woord van de belofte neemt ons gevangen, zodat we niet meer rusten op ons innerlijke geloof, maar op de uiterlijke belofte.’ (blz. 169). We zijn op drie manieren het eigendom van Christus: de Vader heeft Hem aan ons gegeven, Hij heeft de dure prijs voor ons betaald, Hij heeft door Zijn Geest bezit genomen van ons hart. Zonder de Geest bezitten we Hem niet (Romeinen 8:9). Door de inwoning van de Geest komt de verzoening tot voltooiing (blz. 170). Christus ‘wast mij ook dagelijks opnieuw. Elke dag stilt Hij de toorn van God’ (blz. 172).

Instrumentele doop

Door de doop deelt Paulus in de nieuwe positie in Christus. Het gaat daarbij niet om zijn bekeringservaring. Van Vlastuin vergelijkt het met een huwelijk. En al speelt liefde een rol, het huwelijk wordt gesloten door de handtekening op de huwelijksdag. Zo word je een echtpaar. ‘Zo zouden we kunnen zeggen dat onze officiële doopdatum het huwelijk van Christus met ons markeert’ (blz. 177-178). We onderschatten de doop, als we dit zien als een uiterlijk ritueel en het uiteindelijk alleen gaat om onze innerlijke ervaring. De doop is instrumenteel en meer dan een symbool, want de doop legt de relatie tussen de heilsfeiten en de heilsorde. ‘Door de doop worden de heilsfeiten ons persoonlijk toegeëigend door het geloof’ […] ‘Door de doop behoren we fundamenteel bij Christus, dat we delen in Zijn dood. Door middel van de doop is ons oude bestaan begraven’ (blz. 178).

Oorspronkelijke identiteit begraven

We kunnen twijfelen aan ons geloof. Maar twijfel niet aan het huwelijk dat de ‘hemelse Bruidegom met ons sloot in de doop’ (blz. 179). De kinderdoop is gelijk aan de doop na een krachtdadige bekering. Ze hebben dezelfde waarde (blz. 179). De doop is het bad van de wedergeboorte, waarin onze oorspronkelijke identiteit definitief wordt begraven. ‘In Christus hebben we de dood achter ons liggen en delen we in Zijn leven (Gal. 2:19-20a; zie ook Joh. 5:24). Zo jaagt de dood geen angst meer aan. De laatste vijand is in de Ander veranderd in een allervriendelijkste vriend die de poorten van het hemelse paleis voor ons opent. Wanneer zal de dood ons komen halen? O dood, kom spoedig’ (Filippenzen 1:21, 23) (blz. 181, 223, 237).

Belovende God

De toe-eigening van het heil is in feite een belofte van God (blz. 196). Het heil is buiten ons, in Christus. De Geest eigent het ons steeds opnieuw toe. God begint met het geloof en Hij bewaart bij het geloof (1 Petrus 1:5) (blz. 200).
Het doopformulier zegt, dat ‘de Geest ons toe-eigent wat we in Christus hebben’. Als moderne mensen stellen we echter, dat de (objectieve) belofte pas waarde heeft als deze daadwerkelijk is vervuld (door wedergeboorte; blz. 204). De belofte scheiden wij – met de Dopersen – van de Geest. Daardoor zegt de belofte an sich ons zo weinig (blz. 201). Als we redeneren vanuit het wedergeboren subject (naast de belofte is ook geloof nodig), hoe meer Gods verbond verdampt. ‘Als de gelovende mens instemt met Gods uitnodiging, kunnen we ons laten dopen, zal menig gereformeerde met de baptist zeggen. Daarmee maken we de gelovende mens te belangrijk. Uiteindelijk scharniert onze zaligheid dan om ons geloof’ (blz. 202).
Van Vlastuin stelt daartegenover: niet redeneren vanuit de mens, maar vanuit de belovende God. ‘Als dat geen hoop schept voor de dode zondaar!’ (blz. 202).

Doop naast geloof

Van Vlastuin ziet de doop als het middel om in Christus’ lichaam gemeenschap met Christus te hebben (blz. 202) en stelt deze naast het geloof. ‘We kunnen de doop en het geloof beide als toe-eigening van Gods belofte typeren’ (blz. 203). ‘…God gebruikt doop en geloof om ons in Christus’ dood en opstanding te laten delen’ (blz. 203). De doop is een transfer waarin een eigendomsoverdracht aan Christus plaatsvindt en we gaan behoren tot Gods Koninkrijk (blz. 203, 280), maar de doop behoudt ons niet. ‘We worden niet zalig zonder persoonlijk verbondsleven’ (blz. 247).

Positie wereldling en kerkmens

Christus is ons in de gemeente en in de doop gegeven (blz. 204). We zijn in de Wijnstok Christus ingeënt (Johannes 15:1-8). Geldt de belofte dan niet voor elk mens? ‘We kunnen ons de vraag stellen of het Evangelie minder gemeend tot een wereldling dan tot een kerkmens komt. Er is inderdaad verschil. De zondaar in de wereld […] deelt niet in onze positie in de Wijnstok Christus. Aan ons is Gods Woord toevertrouwd (Rom. 3:2)’ (blz. 205). ‘In het licht van het huidige thema betekent dit dat mijn buurjongen buiten de kerk het heil niet heeft. Hij leeft niet in de sfeer van Christus, maar in de sfeer van de duivel. Ongelovigen in de kerk daarentegen hebben Christus en Zijn heil in het Evangelie’ (blz. 205).

Doop, Gods belofte en ons geloof

Volgens Van Vlastuin is de vergeving in de doop gegeven. De doop is niet slechts een symbool. Maar ‘in het teken is de zaak aanwezig’ (blz. 206). We worden wedergeboren uit water en Geest (Johannes 3:5). ‘…omdat we met de Geest gedoopt zijn, worden we met water gedoopt (Hand. 10:47)’ (blz.206).
Het toe-eigende werk van de Heilige Geest in de gedoopte wordt daarmee echter niet overbodig. We kunnen dode leden zijn, zonder levenssappen uit de Wijnstok (blz. 207).
Het gaat dus om een toe-eigening aan ons én een toe-eigening aan God (blz. 207), wat voornamelijk de verlichting van ons verstand inhoudt (Efeze 1:18) (blz. 215). Maar let op: ‘Ons ultieme houvast in het licht van Gods rechterstoel is niet mijn innerlijke ervaring van Gods heil, maar het heil dat God mij belooft’ (blz. 208). Het gaat niet om het geloof (of geloofservaring), maar om het heil dat ontvangen wordt door het geloof. Het heil en de waarheid van de doop is niet afhankelijk van ons geloof (blz. 208-209). ‘De gelovige ziet niet op zijn geloof en de waarde daarvan, maar hij ziet op zijn doop’ (blz. 210). ‘De doop verzegelt niet ons geloof of onze wedergeboorte, maar Gods belofte’ (blz. 210).
Naäman werd niet gered door zijn geloof, maar ‘toen hij zich eindelijk liet dopen’ (2 Koningen 5:10) (blz. 210).
Wie in de kerk wordt geboren, wordt ‘geboren in het lichaam dat de wedergeboorte van de hemel en de aarde in zich draagt en dat als zodanig het eerste begin van deze herschepping is. Zo hebben we kerkelijk deel aan de nieuwe geboorte’ (blz. 213).

Dagelijkse vernieuwing

De dagelijkse vernieuwing door de Geest zorgt ervoor, dat we oog krijgen voor onze naasten, zelfs onze vijanden liefhebben en helpen (Lukas 10:25-37, Lukas 19:1-10, 1 Samuël 24, 1 Samuël 26, Mattheüs 5:44, Handelingen 7:60, Spreuken 25:21, Romeinen 12:20, Mattheüs 18:35) (blz. 226-227).

Doop en gemeente

We moeten bij de doop niet de uitverkiezing als uitgangspunt nemen. ‘Immers, we weten niet bij voorbaat wie er wel of niet uitgekozen zijn’ (blz. 239). De gemeente is niet een optelsom van uitverkorenen en verworpenen, maar de gemeente is daar, waar God ‘Zich mee in relatie heeft gesteld’ (blz. 239). Naar haar wezen is de gemeente de gemeente van uitverkorenen, van uitgekozen personen waartoe Judas ook behoorde, hoewel hij een duivel was (Johannes 6:70-71). Wie zijn doop verstaat, zal zijn persoonlijke verkiezing verstaan.
We moeten met een oordeel van de liefde oordelen wie tot de gemeente behoren. Onkruid en tarwe groeien samen op (Mattheüs 13:24-30; Mattheüs 13: 36-43). Niet-vruchtbare ranken waren ook ingeënt (Johannes 15:1-8). Verbondskinderen kunnen voor eeuwig verloren gaan (Mattheüs 3:9; Mattheüs 7:13-14; Mattheüs 7:22-23; Mattheüs 7:24-29; Mattheüs 8:11-12; Mattheüs 22:14; Mattheüs 25:1-3; Lukas 16: 19-31; Johannes 15:1-8; Romeinen 2:28-29; Romeinen 9:6; 1 Korinthe 10:1-5; 2 Korinthe 2:15-16; 2 Thessalonicenzen 3:2; Hebreeën 6:4-6; Openbaring 3:1-6) (blz. 240-241, 292-294).
Gedoopte kinderen moet je zien als gelovigen, die de doop met de Heilige Geest hebben ontvangen. Zij hebben een kiem van het geloof, de belofte van de Heilige Geest, echter niet een sluimerende wedergeboorte (blz. 332-334). Jonggestorven kinderen van gelovigen zijn zalig, omdat zij Gods verbond nog niet konden verbreken (blz. 335).

Verbondsbrekers

Omdat niet alle verbondskinderen het ware geloof beoefenen, maakt men onderscheid door te spreken over ‘uitwendig verbond’ en ‘inwendig verbond’, tweeërlei verbond (Gomarus), wezen van Gods verbond en bediening ervan (Olevianus), tweeërlei kinderen van het verbond (o.a. Teellinck). Het gaat om één verbond, waar men op twee manieren in kan participeren (blz. 297).
Van Vlastuin vindt dat de nadruk niet moet liggen op de geestelijke kwaliteit van het verbondskind, maar op de geestelijke kwaliteit van het verbond zelf. Als je het kind doopt met de gedachte ‘De tijd zal leren of dit kind wezenlijk in het verbond is’, ontbreekt het oordeel van de liefde (blz. 298-299). Als de doop niet functioneert, dan ontkennen we dat God met ons is getrouwd: ‘We stellen de oprechtheid van het geloof voortdurend ter discussie’ (blz. 299). ‘Door de doop ontvangen we een nieuwe identiteit: we gaan van kinderen van Adam over tot kinderen van God’ (blz. 300).
De vastheid van Gods verbond staat. Spreek daarom niet neutraal over ‘tweeërlei kinderen van het verbond’, maar over ‘verbondbrekers’: kinderen die Koninkrijkskinderen zijn, maar hun zaligheid hebben versmaad (vergelijk 1 Koningen 19:10; Hebreeën 12:25; 2 Petrus 2:21) (blz. 299).

Collectief en individueel

Volgens Van Vlastuin dacht men in het Nieuwe Testament uitsluitend vanuit het collectief van gezin en stam (blz. 318). We moeten de Schrift dus niet te individualistisch lezen, al hebben we allemaal zo’n moderne individualistische bril op. Maar de spits van de doopbediening is wel persoonlijk (blz. 326, 367, 418). ‘God handelt met ons gezinswijze’ (zie/vergelijk Genesis 7:1; Hebreeën 11:7; Genesis 12:17;  Genesis 17:10-12; Genesis 19:16; Genesis 20:17-18; Hebreeën 11:23; Exodus 12:27; Deuteronomium 29:9-13; Jozua 7:15, Jozua 7:24-25; Jozua 24:15; 1 Samuël 3:12-14; 2 Samuël 12:10) (blz. 329) en Van Vlastuin noemt daarbij ook de bekende huisteksten (blz. 330).
Of kinderen gedoopt mogen worden, is dus een moderne vraag. We moeten wel eerst scherp hebben wat de waarde van de doop is. Kennelijk zien we dat beter als we kijken naar een volwassen gelovige (blz. 318). In de kerkgeschiedenis zien we dat velen, die als baby gedoopt waren, zich later als gelovige lieten dopen (o.a. Charles Haddon Spurgeon, John Bunyan en Joseph Charles Philpot, die daarbij Gods rijke gunst ervoeren) (blz. 320-321).

Gereformeerd en baptistisch

Geloof is nodig om het sacrament te ontvangen (blz. 320-323). Jodocus van Lodenstein en anderen pasten daarop de eerste vraag uit het doopformulier aan. Van ‘kinderen in Christus geheiligd’ werd het dan ‘sommige kinderen’ of ‘behoren (of kunnen) geheiligd (te) zijn’ (blz. 321).
Volgens Van Vlastuin gedragen veel gereformeerden zich als baptisten. Zij zien de gedoopte kinderen van de gemeente als evangelisatieterrein in plaats van als Gods kinderen. Van Vlastuin: ‘Als we niet kunnen zeggen dat onze kinderen werkelijk in Gods verbond zijn, hoeven we ze niet te dopen en mogen we hen geen sacrament toedienen’ (blz. 322).

Oude verbonden en nieuwe verbond

Baptisten hebben gelijk als zij de eenheid van geloof, wedergeboorte, vergeving en doop benadrukken (blz. 322). Waarom dan toch kinderen dopen?
Van Vlastuin verwijst voor een onderbouwing van de kinderdoop naar het verbond met Abraham en de eenheid tussen oude verbonden en het nieuwe verbond. Wat voor de oudtestamentische kerk gold, geldt ook voor de nieuwtestamentische kerk ( 1 Petrus 2:9-10) (blz. 324-327).
In zijn pleiten voor de kinderdoop (die volgens hem niet bestaat, want er is maar één (geloofs)doop (blz. 330, 332), stelt hij dat we met het verwerpen van de kinderdoop de belovende God tekort doen. We miskennen dan ‘dat God ons redt op de wijze van de belofte en dat Hij ons volkomen genade geeft in de belofte. We doen net alsof er nog iets bij de belovende God moet komen, namelijk ons geloof. Daarmee scharniert het heil om de gelovende mens in plaats van om de belovende God’ (blz. 331).

Onmogelijke mogelijkheid

Van Vlastuin wil niets afdoen aan het doopformulier, dat in zekere zin neigt naar de ‘veronderstelde wedergeboorte’-leer (blz. 353). Volgens Van Vlastuin gaat het doopformulier niet uit van ‘veronderstelde wedergeboorte in engere zin’, zoals bij Kuyper, waarbij de genade in het kinderhart is uitgestort en uitgroeit tot geloof en bekering. Het doopformulier bedoelt met wedergeboorte de levenslange wedergeboorte van de nieuwe mens. De doop rust op Gods belofte. Vanuit die belofte veronderstelt het doopformulier de ‘Geest van de wedergeboorte bij de kleine zuigeling’ (blz. 351).
Deze kan de aangeboden zaligheid verwerpen (blz. 354). Het kind was kind van het Koninkrijk, maar wordt buitengeworpen (Mattheüs 8:12; Mattheüs 11:22). Hij pleegt echtbreuk (blz. 355). Er is in het verbond geen ruimte voor ongehoorzame verbondskinderen. Onbekeerlijkheid is een onmogelijke mogelijkheid. Daarom is onze verbondsleer ook niet ongeloof-proof, om een antwoord te hebben op de vraag of er afval der heiligen is (blz. 355).

Van buiten naar binnen denken

Kinderen worden niet gedoopt, omdat de ouders gelovig zijn, maar omdat God eenzijdig voor hen kiest (blz. 362-363). Als de doop afhankelijk zou zijn van geloof, zouden we misschien wel honderdmaal gedoopt moeten worden, want je bent niet altijd zeker van je hart (blz. 363).
We moeten van buiten naar binnen denken en niet vanuit ons innerlijk naar buiten redeneren. Ons ‘ínnerlijk krijgt houvast aan het uiterlijke Woord, aan de uiterlijk mens-geworden Zoon, aan de uiterlijk zichtbare kerk, verzegeld door het uiterlijke sacrament van de doop’ (blz. 368).

Commentaar

Van Vlastuins boek is niet bedoeld als een verdediging van de kinderdoop. Hij wil de waarde van de doop voor de gedoopte benadrukken. Zolang je als gelovige naar de betekenis van je doop kijkt, is het doopmoment minder relevant. Immers, vanuit het geloof hecht je aan de waarde van je doop. De doop kun je alleen verstaan door het geloof. Dat zegt Van Vlastuin ook (blz. 11). Tenzij je de doophandeling als zodanig zaligmakende werking toeschrijft, bij wijze van een soort infuus dat je krijgt toegediend (blz. 213). Maar daar wil Van Vlastuin niet van weten.

Doopformulier

Van Vlastuin neemt in zijn boek het klassieke gereformeerde doopformulier als uitgangspunt in plaats van de Bijbel. Zo mediteert hij op basis van en exegetiseert hij het doopformulier, alsof het Gods Woord zelf is. Hij redeneert zelfs vanuit het doopformulier terug naar de Bijbel: ‘Blijkbaar dacht men in de oorspronkelijke versie [van het doopformulier] totaal inclusief en collectief. Dit is een indicatie dat het ook zo was in de tijd van het Nieuwe Testament’ (blz. 318). Van enige kritische distantie ten aanzien van het doopformulier is bij Van Vlastuin geen sprake.
Van Vlastuin voelt wel aan welke vragen de babydoop in het formulier oproept, ook voor gereformeerde kinderdopers. Hoe verhoudt de doop zich tot uitverkiezing, verbond en geloof (wedergeboorte, bekering)? Citaten van oudvaders moeten dan de lezer overtuigen van Van Vlastuins visie op de doop en op het doopformulier (blz. 11). ‘Mijn eigen intuïtie was veel beperkter dan de  stemmen uit onze traditie‘ (blz. 338). Dit geeft te denken. Kennelijk moeten oudvaders van stal worden gehaald, bij gebrek aan Schriftbewijs.
Hoewel Van Vlastuin duidelijk maakt dat onderdompeling toch de beste Bijbelse papieren heeft, wijst hij de besprenging niet af. Hij probeert deze te legitimeren, hoewel hij daarbij wel de nodige kritische vragen stelt (blz. 57), maar hij trekt daar geen consequenties uit.

Kritiek op gereformeerden

Van Vlastuin heeft kritiek op de individualistische manier waarop (gereformeerde) christenen de Bijbel lezen (blz. 326) en hun geloof zien. Daar zijn zeker vragen bij te stellen. Maar hij geeft daarmee enkel een verklaring voor het feit dat veel hedendaagse gereformeerden het doopformulier anders (willen) lezen dan wat er staat. Des te opvallender is het, dat Van Vlastuin, als goed gereformeerde, zijn boek vanuit het perspectief als (gelovig) individu heeft geschreven, ondanks zijn kritiek op het individuele denken. Het perspectief van de gemeente als geheel komt in het licht hiervan slechts beperkt aan de orde.
Betekent zijn kritiek op het individualistisch Bijbellezen en geloven, dat deze manier van denken voor christenen op de schop moet? Als dat zo is, vraagt dat om een nieuwe doordenking van de totale gereformeerde theologie, die – ontstaan in de moderne tijd – juist aansluit bij het individu.
Wij lezen de Bijbel met onze moderne bril. We zijn immers moderne mensen. Die moderniteit kun je zeker onder kritiek stellen, maar dan moet je dat over de totale breedte van je theologie doen en niet enkel als het gaat om de kinderdoop. Dat is te eclectisch.

Volk en individu

Wat leert nu de Bijbel? Zowel het collectivistische denken (Oude Testament: Gods volk) als het individuele denken (Wie gelooft en zich laat dopen, wordt zalig, Markus 16:16) komen daarin terug, maar hoe verhouden die zich tot elkaar in het licht van de doop? Natuurlijk dacht men in Bijbelse tijden (en daarna) veel minder individualistischer dan nu. Maar als het aankomt op verlossing van zonden en gered zijn in nieuwtestamentische zin, dan is dat vooral individueel. Niet iedereen wordt zalig, alleen zij die geloven. En die werden gedoopt (Handelingen 2:41). En ja, deze geredden vormen de gemeente. Daar kom ik in deze bespreking nog op terug.
Van Vlastuin noemt allerlei Bijbelteksten, waaruit blijkt dat God ‘gezinswijze’ handelt, maar deze teksten betreffen niet de zaligheid, maar tijdelijke, aardse verlossing of collectieve straf (blz. 329). En de huisgezinnen die gedoopt werden dan? Over de huisteksten is elders al geschreven. Deze vormen geen bewijs dat baby’s gedoopt werden. Integendeel.

Gemeentevisie

Denken aanhangers van de gelovigendoop te individualistisch en lezen zij de Bijbel te individualistisch? Horen de kinderen van de gelovigen er niet gewoon bij? Zij horen zeker bij de ouders en de zichtbare gemeente waar ze deel van uitmaken. Maar dat hoeft niet te betekenen dat ze ook gedoopt moeten worden.
De vraag is: is de reden van de doop het geloof of het onderdeel zijn van de gemeente? De Bijbelteksten over de doop benadrukken dat er sprake was van geloof bij de dopelingen. Zelfs bij een massale dooppraktijk als in Handelingen 2:41 ging om mensen die ‘zijn woord met vreugde aannamen’. De gemeente van Korinthe was door de Geest tot één lichaam gedoopt en van de Geest doordrenkt (1 Korinthe 12:13). Als je deze tekst verbindt aan de waterdoop (vergelijk Traichel), gaat het bij de dopelingen ook om gelovigen, die de Heilige Geest ontvangen hebben.

Gemeentelid

De visie op de doop raakt dus ook de visie op de gemeente. Wie behoort daartoe? Van Vlastuin stelt op grond van Mattheüs 13:24-30 en Mattheüs 13: 36-43 dat we binnen de gemeente ‘onkruid’ en ‘tarwe’ samen laten opgroeien, totdat God Zelf de scheiding aan zal brengen (blz. 293). Zo behoren niet- of schijngelovigen ook tot de gemeente. Hij vergeet echter, dat het samen opgroeien van onkruid en tarwe niet de gemeente betreft, maar de wereld (zie Mattheüs 13:38)! De tarwe, de gelovigen, zijn de kinderen van het Koninkrijk, het onkruid zijn de kinderen van de boze (Mattheüs 13:38). Zij geloven niet en zijn veroordeeld (Johannes 3:18).
Hoewel Judas door Jezus was uitgekozen (Johannes 6:70-71), behoorde hij dus niet tot ‘de gemeente’ (van de uitverkorenen), zoals Van Vlastuin stelt (blz. 240). Jezus zegt van Judas: Het zou goed voor die mens zijn als hij niet geboren was (Mattheüs 26:24-25). Zou het Hoofd van de gemeente dat van een onderdeel van Zijn lichaam zeggen (Efeze 5:23)?
Alleen zij die in Christus zijn én blijven, dragen vrucht dankzij de wijnstok Christus en getuigen van Hem (Johannes 15: 1, 4-5, 16; 1 Petrus 2:9). Wie niet in Christus is en blijft, is als een rank zonder vrucht en wordt buitengeworpen en verbrand (Johannes 15:2, 6). Wie vruchten draagt, wie de wil doet van de Vader, is daaraan te herkennen en zal het Koninkrijk binnengaan (Mattheüs 7:20-21).

In Christus zijn

Van Vlastuin zegt terecht dat de gemeente geen optelsom van uitverkorenen en verworpenen is (blz. 239). De gemeente is volgens hem ‘de gemeente waar God Zich mee in relatie heeft gesteld’. Maar wie zijn dat? Bijbels gezien zijn dat de mensen die in Christus zijn (1 Korintiërs 1:2; Efeze 1:1; Filippenzen 1:1; Kolossenzen 1:2; 1 Thessalonicenzen 1:1; 2 Thessalonicenzen 1:1).
Van Vlastuin rekent daar ook de baby’s van de gelovigen bij, op grond van zijn verbonds- en doopvisie, en wil hen niet zien als mensen die nog tot geloof moeten komen. Maar dat zorgt juist voor allerlei vragen. Van Vlastuin probeert die te vermijden door de belovende God centraal te stellen en niet (het geloof van) de gedoopte. Echter, alleen door het geloof kan de doop worden verstaan (blz. 11). Van Vlastuin wijst Kuypers veronderstelde wedergeboorte af, maar komt er dan toch dichtbij door te stellen dat de kinderen van de gelovigen, naar het oordeel der liefde, als gelovigen moeten worden beschouwd. Van Vlastuin blijft in zijn boek verre van de hedendaagse dooppraktijk in veel kerken, waar baby’s toch vaak ‘uit gewoonte of bijgelovigheid’ worden gedoopt, omdat de kinderdoop niet helder uit te leggen is in het licht van de verlossingsleer.

Doop en geloof

Van Vlastuin stelt, dat we Gods orde omdraaien, als we de betekenis van de doop laten afhangen of we het werk van de Geest in de ziel herkennen (blz. 328). Dat is een bepaalde manier van framen, die geen recht doet aan wat geloofsdoop wil zeggen. Voor hetzelfde geld zou je kunnen stellen dat de kinderdoop afhankelijk is van de ouders, die het kind ten doop houden.
M.i. draaien we Gods orde juist om, door te stellen dat elke boreling van een christen in de nieuwe geboorte deelt. Alsof geloven en uitverkiezing er niet meer toe doen en enkel de verbondsgedachte leidend is.
Laat ik duidelijk zijn. Natuurlijk hangt de doop niet af van onze beperkte blik op Gods werk in de ziel van de gedoopte. Maar als mens kunnen we de boom alleen maar herkennen aan de vruchten. Zonder vruchten weten we niet of de boom leeft. Daarom gaat – voor ons mensen – geloofsbelijdenis vooraf aan de doop, zodat we weten dat de doop terecht is.

Objectieve en beleefde waarde

Van Vlastuin legt in zijn doopvisie de vinger bij de belovende God. Prachtig. Maar de objectieve waarde van de doop functioneert alleen als de beleefde waarde van de doop daarbij komt. Anders zegt de doop je niets en is het enkel een ritueel met water. Alleen door geloof kun je de doop verstaan. Terecht stelt Van Vlastuin, dat de doop niet afhankelijk is van je geloof (bz. 363). De waarheid van Gods Woord is ook niet afhankelijk van mijn overtuiging. Maar wil dat Woord of de doop functioneren in mijn leven, dan moet ik mij daardoor aangesproken weten. Dat kan alleen als de Geest in mij werkt.

Uitingsvorm van genade

Het is overigens nooit ‘mijn geloof’, maar het ‘door God gegeven geloof’, waardoor de beloften in de doop voor mij ja en amen zijn geworden. De doop is niet afhankelijk van mijn geloof, maar geloof is wel de uitingsvorm van Gods verkiezende genade en liefde! Ons geloof is het herkenningspunt waaraan we kunnen zien, dat God ons de zaligheid heeft belooft. Hij begint. En ons geloof is Zijn werk in ons (1 Korinthe 12:3).

Geloofsversterkend

God schenkt bij het geloof de doop, als geloofsversterkend middel. Anders gezegd: het geloof vráágt om de doop. Want geloof en doop horen bij elkaar. Mijn geloof is dus geen voorwaarde voor de doop, maar het geloof is wel de crux, het middel (of hoe je het ook maar wilt noemen) om de doop in de volle betekenis te kunnen ontvangen en te verstaan. Dàn werkt de doop geloofsversterkend (vergelijk het Heilig Avondmaal, wat alleen voor gelovigen is en op de juiste manier moet plaatsvinden (1 Korinthe 11:20-34).

Betekenis doop 

In Romeinen 6:1-14 wordt – ervan uitgaande dat het hier over de waterdoop gaat (zie Traichel) –  gesteld, dat we in de doop met Christus zijn begraven, zodat we in een nieuw leven zouden wandelen. Onze oude mens is met Hem gekruisigd. We zijn vrij van de zonde. ‘Zo dient ook u uzelf te rekenen als dood voor de zonde, maar levend voor God in Christus Jezus, onze Heere’ (Romeinen 6:11). Met andere woorden: de gedoopte mag zichzelf zien als een door God geredde, onder Zijn genade (Romeinen 6:14), die Christus aangedaan heeft (Galaten 3:27), in wie Christus leeft (Galaten 2:20).
De Bijbel spreekt dan ook over gedoopten als over mensen die zich bekeerd hadden (Handelingen 2:38,41) en geloofden (Handelingen 8:12). Dat veronderstelt gelovigendoop. Dat ontkent Van Vlastuin niet, want hij ziet de zuigelingendoop ook als geloofsdoop (blz. 330, 332).

Moment van dopen

Op basis van wat we weten van de kerkgeschiedenis, kunnen we daaruit niet opmaken dat vanaf het begin baby’s zijn gedoopt of niet zijn gedoopt. Wel weten we, dat er op den duur verschillend over de doop en de dooppraktijk werd gedacht. Lange tijd meende de kerk dat de doop zelf de (erf)zonde afwast en dus nodig was voor de zaligheid. De doop werd daarom uitgesteld tot op het sterfbed (want door je dan te laten dopen werden al je eerdere zonden vergeven en kon je sterven). Of de doop werd zo vroeg mogelijk bediend om te voorkomen dat je ongedoopt stierf (nooddoop) (H. F. Stander en J. P. Louw; G. de Ru; W.J. Ouweneel).
De reformatoren wezen deze praktijken af, maar hielden wel vast aan de zuigelingendoop. Daarop ontwikkelde zich de verbondsleer om de kinderdoop te legitimeren (W.J. Ouweneel). Kinderen van gelovige ouders werden beschouwd als verbondskinderen en moesten daarom gedoopt worden.
Hoe verhouden het geloof, de doop en deze verbondstheologie zich tot elkaar? Het antwoord bepaalt de dooppraktijk.

Doopopvattingen

Grofweg zijn de volgende doopopvattingen te onderscheiden:

1. Een kind wordt gedoopt vanwege het geloof van de ouders of de gemeente.
2. Een kind wordt gedoopt vanwege toegerekend geloof. Het is behouden, tenzij het later Gods weldaden afwijst (Heinrich Bullinger, Johannes a Lasco, Marten Micron, Bert Loonstra)
3. Een kind wordt gedoopt vanwege veronderstelde wedergeboorte. Hij wordt beschouwd als oprecht gelovige, tenzij later het tegendeel blijkt (veronderstelde wedergeboorte; A. Kuyper).
4. Een kind wordt gedoopt omdat het een verbondskind is. Alle kinderen van de gemeente krijgen het teken van de doop, maar alleen de uitverkorenen delen in de betekenis van de doop. Zij ontvangen de betekende zaak: wedergeboorte, geloof en vergeving (G.H. Kersten).
5. Een kind wordt gedoopt, omdat het een verbondskind is. De nadruk bij de doop ligt niet op de staat van het kind (of deze als gelovige moet worden beschouwd), maar op de aanbieding van de belofte van het verbond voor alle dopelingen. God belooft de dopeling: Als je gaat geloven, zul je behouden worden (J.G. Woelderink, K. Schilder).

Van Vlastuins visie: de belovende God

Wie vasthoudt aan de babydoop, heeft twee opties: de gedoopte zuigeling wordt op één of andere manier geloof toegeschreven (doopopvatting 1,2,3). Of de betekenis van de doop voor de gedoopte baby wordt beperkt (doopopvatting 4,5). Van Vlastuin wil in zijn doopvisie wegblijven van de subjectiviteit van de mens. Het gaat om Gods relationele spreken in de doop. Het huwelijksverbond van God staat zo centraal in plaats van mijn geloof. ‘De doop is geen plaatje (teken, symbool) van Gods relatie met ons, maar het is de relatie als zodanig’ (blz. 81). Dan valt de vraag naar de staat van de dopeling weg. God spreekt. De dopeling moet die liefde van Hem beantwoorden. Daarbij gaat het om leven uit de belofte en niet om de vervulling van de belofte.
Toch is met deze objectivering niet alles gezegd. Van Vlastuin ontkomt er niet aan om ook iets over de dopeling te zeggen. Omdat het kind geboren is uit christelijke ouders, is het een verbondskind, stelt hij. God gaat met elk verbondskind eenzijdig een relatie aan (te vergelijken met een huwelijk). Naar het oordeel der liefde moet elk gedoopt kind beschouwd worden als gelovige, tenzij het zelf het verbond verbreekt. ‘Omdat we niet zonder wedergeboorte in Gods Koninkrijk kunnen zijn, was het de theologie van Datheen en zijn gereformeerde collega’s dat onze kleinsten in de nieuwe geboorte delen’ (blz. 328). Overigens vraagt het gedoopt zijn wel om een antwoord van de gedoopte. Wedergeboorte blijft nodig, maar dan in de zin van ‘dagelijkse wedergeboorte’ (blz. 177). Dat is verwarrende terminologie, alsof je steeds opnieuw kan worden wedergeboren, al begrijp ik dat Van Vlastuin wil benadrukken dat christen-zijn een levenslang proces is.

Van Vlastuins visie: sacramentalisme

Van Vlastuins doopvisie heeft dus verschillende elementen in zich van de hier eerder genoemde doopopvattingen, waarbij hij voortdurend de nadruk legt op Gods kant in de doop. Daarbij neigt hij naar sacramentalisme: ‘In Christus’ lichaam hebben we gemeenschap met de levende Christus door het heilige ‘ding’ van de doop: ‘Dus de mens is geheel en al rein en zonder schuld in sacramenteel opzicht’ (Luther)’ (blz. 202). Het Bijbelse  primaat van alleen ‘Geloof!’ voor de zaligheid krijgt de doop erbij. De doop zet Van Vlastuin zo op hetzelfde niveau als het geloof: ‘We kunnen de doop en het geloof beide als toe-eigening van Gods belofte typeren. Beide voegen niets toe aan het heil in Gods belofte, maar God gebruikt doop en geloof om ons in Christus’ dood en opstanding te laten delen’ (blz. 203).
Geloof(sbelijdenis), doop (en ook Avondmaal) horen zeker bij elkaar en het is mooi als je dit beseft. Maar pas op om de doop op gelijke hoogte met het geloof te zetten. Geloof zonder doop is mogelijk (denk aan de moordenaar aan het kruis; niet altijd is de doophandeling mogelijk), maar doop zonder geloof niet. En God belooft het heil (voor een ieder die gelooft) in Zijn Woord, niet enkel in de doop.

Maakt het uit?

Vanuit zijn visie op het gedoopte kind mogen we volgens Van Vlastuin niet stellen dat de kinderen de Geest niet hebben. Het ‘bidden om een nieuw hartje’ veronderstelt dan dat ze ‘buiten Christus zijn’ (blz. 380). Van Vlastuin vindt dat we onze kinderen niet mogen benaderen als ongelovigen die nog moeten gaan geloven, want dan ontken je de betekenis van hun doop. Zo redeneert hij vanuit zijn verbonds- en doopvisie naar het (veronderstelde) geloof van de gedoopte baby.
Geloofsdopers zullen daarentegen hun kinderen juist oproepen om te gaan geloven, opdat ze gedoopt kunnen worden. Beide perspectieven vragen om een actieve geloofsopvoeding, of je nu stelt ‘je bent gedoopt, leef er ook naar’ of ‘ga geloven, dan kun je gedoopt worden’. In de praktijk blijft in beide visies de oproep tot een leven als christen staan.

Bewijsteksten?

Het valt op, dat Van Vlastuin soms nogal losjes en onzorgvuldig met bewijsteksten omgaat, doordat de verwijzingen naar Bijbelteksten niet altijd aantonen, wat Van Vlastuin beweert. Zo stelt hij (blz. 327, 337) dat het Koninkrijk voor kinderen is. Hij noemt als bewijsplaatsen Mattheüs 19:14b en Markus 10:14, maar vergeet dat daar ‘voor zodanigen’ staat: het Koninkrijk is voor hen, die worden als kinderen (vergelijk Mattheüs 18:3).
Gelovigen zouden continu Jezus aannemen tot bekering, maar de aangegeven bewijsplaats Kolossenzen 2:6 zegt dat niet. Daar gaat het over ‘wandelen in Hem’ (blz. 229).
Verbondskinderen zouden buitengeworpen kunnen worden, stelt Van Vlastuin en noemt daarbij Mattheüs 8:12 (blz. 355). Wie de tekst en context erop naslaat, beseft dat het hier om Joden gaat, niet om Christus-gelovigen, maar dat noemt Van Vlastuin niet.
Evenmin benoemt hij, dat het ‘water’ in Johannes 3:5 niet per definitie op de doop hoeft te slaan, waardoor de stelling dat ‘de doop het bad der wedergeboorte’ is (wat neigt naar sacramentalisme) niet waar hoeft te zijn (blz. 206).

Naämans doop

Van Vlastuin benadrukt (blz. 210), dat Naäman niet werd gered door geloof, maar door de doop (2 Koningen 5:10). Het getuigt toch wel van grote inlegkunde om aan de hand van dit verhaal een sacramenteel karakter van de christelijke doop aan te willen tonen. Naäman onderging namelijk geen christelijke doop van ondergang en opstaan met Christus (de christelijke doop was nog niet ingesteld). Hij moest zichzelf enkel zevenmaal wassen (2 Koningen 5:10), was uiteindelijk gehoorzaam aan de instructie van Elisa (‘baat het niet, dan schaadt het ook niet’ (blz. 210)) en werd rein van melaatsheid Het ging dus niet over zondenvergeving, noch over een bad van wedergeboorte. Wel lezen we dat zijn lichamelijke genezing aanleiding voor hem was om te gaan geloven in de God van Israël (2 Koningen 5:15).

Valse tegenstellingen

In mijn optiek gaat Van Vlastuin regelmatig uit van valse tegenstellingen door bepaalde begrippen tegenover elkaar te zetten. Terwijl er helemaal geen sprake hoeft te zijn van tegenstellingen. De vraag blijft wat hij onder deze begrippen dan precies verstaat.

Enkele voorbeelden van mijns inziens valse tegenstellingen:

Cirkelredenering

Van Vlastuin wil niet tornen aan de bestaande zuigelingendooppraktijk, die juist vragen oproept over  de verhouding doop en geloof. Om toch een legitimatie voor de kinderdoop te hebben, verlaat hij zich op een verbondstheologie. In diepste zin is zijn kijk op het verbond bepalend voor zijn doopvisie. En wordt zijn doopvisie bepaald door zijn verbondsvisie. Ouweneel spreekt in dit verband over een cirkelredenering: De babydoop is waar, want deze komt voort uit de verbondsleer. En de verbondsleer is waar, omdat de babydoop waar is. Anders kun je geen zuigelingen dopen. De verbondstheologie legitimeert de babydoop. En de babydoop heeft gezorgd voor de verbondstheologie.

Israël en Gemeente

In het Oude Testament kon je als Jood geboren zijn, besneden zijn en lid zijn van het verbondsvolk, zonder de God van de Joden te belijden. Zodoende had je Joden, gelovig en ongelovig. Gereformeerden kopiëren dit naar de nieuwtestamentische gemeente, met hun idee van ‘tweeërlei kinderen des verbonds’ of, zoals Van Vlastuin stelt, ‘zij die in het verbond zijn en zij die verbondsbrekers zijn’.
De vraag is: geeft de Bijbel voldoende grond om het oude verbondsvolk Israël model te laten staan voor de nieuwtestamentische gemeente? In het Nieuwe Testament gaat het niet om een natuurlijk verbondsvolk, waar je door geboorte onderdeel van bent, maar alleen om een geestelijk volk, kinderen van God (Johannes 1:12-13), een ‘geestelijk huis’(Hebreeën 3:6), door geloof. In de Bijbel wordt Israël voor christenen, niet als model, maar als waarschuwend voorbeeld getoond, om je niet voor te staan op je (natuurlijke) afkomst en om niet in dezelfde zonden van Israël te vallen (vergelijk Mattheüs 3:8-10; Romeinen 2:28-29; 1 Korinthe 10:1-12).
Kun je dan geboren worden als christen (en daarom het teken van de ondergang en opstanding met Christus ontvangen)? Waar lezen we dat in de Bijbel? Nee, het gaat om wedergeboorte!

Vastlopen

Wie de zaligheid verbindt aan de natuurlijke verbanden zoals Van Vlastuin noemt, loopt in de praktijk vast. Van Vlastuin benoemt de situatie, dat ouders van het geloof afvallen: ‘Als ouders het verbond verbreken, verbreekt de Heere het verbond niet met de kinderen en de kleinkinderen. Hij blijft genadig tot in het duizendste geslacht. Immers, kinderen dragen niet de ongerechtigheid van de vader (Ez. 18:20) (blz. 362). Hoe moet ik dat in de praktijk zien, als het geloof niet wordt overgedragen? Van Vlastuin heeft het helemaal niet over die mensen die wel als baby gedoopt zijn, maar nooit het geloof van hun ouders voorgeleefd hebben meegekregen en zelf daar ook niet mee bezig zijn.

Verbonden

Slagter wees er al op: het oude en nieuwe verbond is/wordt met Israël en Juda gesloten (Jeremia 31:31; Hebreeën 8:8). De nieuwtestamentische gelovigen delen in Christus door geloof in de zegeningen van het nieuwe verbond (Galaten 3:7-9; Galaten 3:14, 16, 26-27). In het Nieuwe Testament wordt zes keer over het Nieuwe Verbond gesproken (Lucas 22:20; 2 Korinthe 3:5-6; Hebreeën 8:6-8; Hebreeën 8:13; Hebreeën 9:15; Hebreeën 12:24). Het vergt een aparte studie om na te gaan hoe het (Nieuwe) Verbond dan in relatie staat tot de gelovigen (uit de heidenen).
Ik wil hier alleen maar aangeven, dat de vanzelfsprekendheid waarmee gereformeerden overal hun verbondsopvatting inlezen, niet zo vanzelfsprekend is. Van Vlastuin gooit zo alle verbonden op één hoop en noemt de regenboog (Openbaring 4:3; Openbaring 10:1) als bewijs dat ‘het verbond’ niet heeft afgedaan (blz. 324-325). Maar de regenboog hoort bij het Noachitisch verbond, dat een andere inhoud heeft dan het verbond met Abraham of het nieuwe verbond, om maar een paar van de vele Bijbelse verbonden te noemen.

Verbondsbril

De hele verbondstheologie rust op de gedachte, dat Gods omgang met Zijn oudtestamentisch verbondsvolk gekopieerd kan worden naar Zijn omgang met de nieuwtestamentische gemeente. Je komt dan snel uit bij ‘de gemeente is het nieuwtestamentische Israël’. Dat lijkt op vervangingstheologie, maar daar hebben we afstand van genomen. Alhoewel, in Vlastuins boek zie dat hij Israël soms moeiteloos vervangt door de gemeente. Zo laat hij Romeinen 3:2 onterecht slaan op de gemeente in plaats van op Israël (blz. 205).
Van Vlastuin leest de Bijbel enkel met een (baby)doop en verbondsbril op: ‘Hoe kan ik ooit zalig worden als Christus mij niet wordt aangereikt in Gods verbond?’ (blz. 123). Christus wordt echter aangereikt in Gods Woord (Johannes 3:16). En door met mond en hart Hem te belijden in geloof, word je zalig (Romeinen 10: 8-11), niet door alles op te hangen aan een verbondsgedachte of babydoop. Vanuit zijn eigen kinderdoopdenkconstructie leest Van Vlastuin de babydoop in in het Nieuwe Testament. Zo draait hij de zaken om: ‘Aangezien de gemeente een gedoopte gemeente is, is dit een krachtige aanwijzing dat ook in de nieuwtestamentische tijd kinderen deelhadden aan het sacrament van de doop’ (blz. 337).

Onder- en overschatten

Van Vlastuin strijdt op twee fronten: tegen die gereformeerden, die stellen dat het uiteindelijk toch enkel gaat om (de bevindelijk ervaren) wedergeboorte en bekering, waardoor zij de betekenis van de doop onderschatten. Dan kan de betekenis van de doop vaak niet meer zijn dan een aanzegging van de belofte: ‘als je gaat geloven, zul je gered zijn’. Maar zo spreekt de Bijbel niet over de doop.
Anderzijds neemt Van Vlastuin ook afstand van de leer van de veronderstelde wedergeboorte, waarin de doop wordt overschat. Immers, de gedoopte baby wordt dan gezien ‘als wedergeboren, tenzij het tegendeel blijkt’. Alsof je, als je in een christelijk gezin geboren wordt, de wedergeboorte er automatisch bij ontvangt. Zo spreekt de Bijbel niet over geloven.
Van Vlastuin, die uitgaat van de gereformeerde verbondstheologie en, naar analogie van het oudtestamentische verbondsvolk, ook ongelovigen binnen de gemeenschap van de kerk rekent (blz. 205), legt in zijn doopleer de nadruk op de belovende God. In een poging de doopbetekenis niet te willen onderschatten, neigt hij ernaar om de gedoopte baby te zien als gelovige. Bevredigend is dat niet, want zo prevaleert de verbondsgedachte (met de zuigelingendoop, waarbij de kinderen van de gemeente – in de visie van Van Vlastuin – als gelovigen moeten worden gezien) boven de eis tot geloof en wedergeboorte (met haar geloofsvruchten), waar de Bijbel duidelijk over spreekt.

Discussies

Het is te waarderen dat Van Vlastuin aandacht vraagt voor de rijke betekenis van de doop. Maar eigenlijk kun je die doop alleen op waarde schatten vanuit werkelijk geloof, beleden in woord en daad.
Is dat geloof nog niet waar te nemen en verlaat je je op een bepaalde verbondstheologie, dan wordt de betekenis van de doophandeling voor de dopeling onderschat of overschat. En beginnen de discussies.

W. van Vlastuin, In Christus gedoopt. Ons doopformulier voor hart en hoofd, Uitgeverij De Banier, Apeldoorn 2025, 2e druk, ISBN 978 94 0291 2302