☰ Menu

Bert Loonstra, Het badwater en de kinderen

De christelijk gereformeerde predikant dr. Bert Loonstra doet in 160 pagina’s een sympathieke poging om de zuigelingendoop te rechtvaardigen. Nuchter, met respect voor de aanhangers van de gelovigendoop, erkent hij eerlijk dat hij – als voorganger binnen een kerkverband dat de zuigelingendoop verdedigt – het niet kan maken om ‘bij de conclusie uit te komen dat de kinderdoop minder bijbels zou zijn’ (blz. 16).

Ontzenuwen

De auteur probeert recht te doen aan beide doopvisies en bekritiseert regelmatig opvattingen van de aanhangers van de zuigelingendoop. Zo ontzenuwt hij de gedachte, dat de kinderdopers belijden ‘God begint’ en dat de gelovigendopers uitgaan van ‘de mens begint’ (blz. 18). Ook is de doop niet in de plaats van de besnijdenis gekomen, zoals het klassieke doopformulier zegt (blz. 86, 87), al weet Loonstra hier wel een draai aan te geven, waardoor de zinsnede toch kan blijven gehandhaafd. Loonstra bestrijdt ook de visie van Abraham Kuyper (blz. 115vv) over de ‘veronderstelde wedergeboorte’ (= de zuigeling is wedergeboren en gelooft, totdat het tegendeel blijkt) op grond van Romeinen 10:14 ‘het geloof is uit het gehoor’. Overigens komt de gedachte van een veronderstelde wedergeboorte ook al voor bij Augustinus, Luther en Calvijn, weet Loonstra.
Het predestinatiaans voorbehoud (blz. 120) van ds. G.H. Kersten (= de gedoopte kinderen zijn niet wedergeboren, behalve de uitverkorenen onder hen. De doop is een zegel dat God eens in het leven van deze uitverkoren kinderen de beloften van reiniging en vernieuwing zal vervullen) ziet Loonstra niet zitten. Immers, dit zou betekenen dat de zuigelingendoop niet in alle gevallen de bezegeling van het heil is dat God belooft en werkt. Ook heeft Loonstra bezwaren tegen de ‘voorwaardelijke belofte’ (blz.120v), die de theologen J.G. Woelderink en K. Schilder verwoordden: de beloften gelden alleen, mits je gelooft. Loonstra stelt vast, dat de doop in de Bijbel nergens afhankelijk wordt gemaakt van de voorwaarde ‘geloof’.

Toegerekend geloof

Loonstra kiest uiteindelijk voor de visie ’toegerekend geloof’ (blz. 125v, aangehangen door onder meer Heinrich Bullinger, Johannes a Lasco en Marten Micron) om de relatie tussen de zuigelingendoop en het delen in het heil te leggen. Kleine kinderen van gelovige ouders zijn gelovigen, delen in het heil, zolang zijzelf niet Zijn genade afwijzen. De zuigelingendoop laat zien: je bent gelovig, je bent gereinigd. Als je volwassen bent, moet je daarvoor je eigen verantwoordelijkheid nemen. De doop wordt zo niet afhankelijk gemaakt van een veronderstelde wedergeboorte, uitverkoren zijn, de voorwaarde van geloof, maar de doop verzegelt de heilsbelofte (blz. 128). “De doop van kleine kinderen impliceert dat God hen tot de gelovigen rekent en hen doet delen in de reinigende kracht van Christus’ bloed en zijn Geest. Zodra zij de leeftijd hebben waarop zijzelf verantwoordelijk zijn voor hun keuze, is de doop een appel op hen om zelf in het geloof Gods toezeggingen te beamen en daaruit te leven.”(blz. 128)

Geen antwoorden

Dergelijke antwoorden bevredigen niet en roepen alleen maar vragen op. Hoe zit het dan met de kleine kinderen van niet-gelovigen? Moeten zij ook als gelovigen worden beschouwd, totdat ze volwassen zijn? Waarom mogen zij dan niet worden gedoopt? En wanneer ben je dan verantwoordelijk voor je keuze: bij 12 jaar, 14 jaar of ouder? Als je als zuigeling als gelovige wordt gezien, kun je dan maar beter vroeg sterven dan de kans lopen dat je later niet meer gelooft?

Geloof blijft nodig

Op blz. 127 schrijft Loonstra: “Door ongeloof ontzeggen wij aan de doop zijn betekenis om de heilswerkelijkheid aan ons te verzegelen en ons tot het nieuwe leven te roepen. Daarmee doen wij de uitwerking van de doop teniet.” Je kunt twisten in hoeverre de doop afhankelijk is van geloof. Loonstra wil dat niet zo laten zijn. Maar één ding ontkent hij niet. Hoe je het ook wendt of keert: geloof blijft nodig om de doop zinvol te laten zijn in het leven van de dopeling. En dát is nu net het punt, waardoor aanhangers van de gelovigendoop zeggen: zuigelingen moet je niet laten dopen, want je weet niet of ze het geloof hebben. Natuurlijk, de werking van de doop is niet afhankelijk van het geloof van de dopeling, maar van Gods genade. Maar die genade van God wordt zichtbaar in het geschonken geloof en de vruchten daarvan. Dat is voor ons mensen het “bewijs”, dat we van Christus zijn. Door dat geschonken geloof geloven we wat de doop laat zien. Als we niet zouden geloven, zou onze (zuigelingen)doop ons ook niets zeggen. Loonstra zegt het zelf: Zonder geloof van de gedoopte ontzeggen wij aan de doop zijn betekenis. En wie wil nu een ‘lege doop’ hebben?
Toch houdt Loonstra vast aan de zuigelingendoop, die voor velen – helaas – zo’n lege doop blijkt te zijn.

Doop en ervaring

In dit boek worden veel (bekende) argumenten genoemd om te verdedigen dat zuigelingendoop toch echt kan. Loonstra weet, dat zijn visie vragen oproept. Door allerlei redenaties en getheologiseer probeert hij zijn visie aannemelijk te maken. Wat mij betreft, tevergeefs. Het is toch vaak een kwestie van accenten leggen in je verhaal. Keuzes maken uit Bijbelteksten (en dus andere teksten laten liggen). Redeneren. Conclusies trekken. Zo preek je voor eigen parochie. Voor de tegenstanders van je visie is het vanzelfsprekend niet overtuigend genoeg. Zij redeneren net even anders, trekken andere conclusies. Waar blijft toch in alle discussies de vraag naar de betekenis van de doop? Als je die betekenis vasthoudt, onverkort, moet je m.i. uitkomen bij de relatie tussen doop en geloof.
Is er nog meer te zeggen over dit boek? Zeker! Hoofdstuk 11, over ‘doop en ervaring’, wens ik in handen van iedere geloofsdoper. Het wijst op de hedendaagse praktijk om te (over)dopen op ervaring. Alsof de wens om de doop te ervaren, de reden mag zijn om te kiezen voor gelovigendoop of overdoop.
Dat is het niet.

Bert Loonstra, Het badwater en de kinderen. Gedachten over de doop, Boekencentrum essay Zoetermeer 2008, ISBN 9789023923077