☰ Menu

W.C. Mense, Waarom uitgetreden? Een woord, in het bijzonder tot de Hervormden in Nederland, bij het neerleggen van mijn ambt, als Dienaar des Woords te N. Stadskanaal

De hervormde predikant W.C. Mense (1871-1953) trad in 1911 uit de Nederlandse Hervormde Kerk, omdat hij het niet eens was met de kinderdoop(praktijk). Hij schreef daarover een brochure en sloot zich aan bij de baptisten.

Dooppraktijk in de kerk

In de brochure beschrijft Mense hoe hij tot zijn keus om uit te treden is gekomen. Veel gemeenteleden lieten hun kinderen uit gewoonte dopen (blz. 4-6). Terwijl er bij het Heilig Avondmaal censura morum is ingesteld om het sacrament niet te ontheiligen, werd bij de doop niet zo nauw gekeken: alle kinderen werden gedoopt. Mense vroeg zich af wat er zo van de kerk en gemeente terechtkwam. Moest hij meewerken aan het dopen van het heidendom? Hij ontdekte, dat het geen zin had om van doopouders te eisen, dat ze eerst een paar keer naar de kerk moesten komen voordat hun kind gedoopt zou worden (blz. 6).

Uitgetreden

De voorganger kwam in gewetensnood (blz.6). Toen hij een doop weigerde, werd er een klacht tegen hem ingediend bij het classicaal bestuur. Dit bestuur zette de kerkenraad onder druk om de predikant toch te laten dopen zonder enige voorwaarden, want het weigeren van de doop was geen bestaande tuchtmaatregel (blz. 7). Mense ging dopen onder protest, onderzocht de gronden van de kinderdoop en kwam tot de overtuiging dat de doop op geloof de enige juiste christelijke doop is. Bang voor de financiële gevolgen, aarzelde hij om zijn ambt neer te leggen (blz.8).

Vrede

Na veel worstelingen (hij voelde zich een huichelaar) besloot hij toch zijn ambt in de hervormde kerk neer te leggen en zich te voegen bij een christelijke gemeenschap die naar zijn overtuiging stond ‘op den bodem der Schrift’ (blz. 9). Het bracht hem vrede in het hart. En hij vertrouwde, dat de Heer zou voorzien in zijn onderhoud (blz. 9).

Alleen voor gelovigen

Mense stelt dat de doop en teken en zegel is van het sterven en opstaan met Christus in een nieuw God verheerlijkend leven. De doop mag daarom alleen aan gelovigen worden bediend. In de kinderdoop komt de betekenis en het doel van het sacrament niet tot hun recht. De gedoopte baby weet nog van niets en ontvangt geen beter begrip van de belofte (hoewel de doop daartoe is ingesteld) (blz. 10). Het – bij de kinderdoop – vooruitgrijpen op een mogelijke bekering is volgens Mense niet juist. Kinderen kunnen pas gehoorzaam zijn aan Christus als ze daar zelf voor kiezen. Ouders kunnen niet het geloof belijden voor hun kind (blz. 11). Ds. Mense vraagt zich af, waarom er gekozen wordt voor het dopen van baby’s (die nog van niets weten), terwijl de zegen pas wordt ervaren als de gedoopte daadwerkelijk tot geloof is gekomen (blz. 13).

Huisteksten

Vaak veronderstellen kinderdopers, dat bij het dopen van gezinnen in het Nieuwe Testament ook baby’s werden gedoopt.  Mense ontkent dat. Het gedoopte gezin van Cornelius (Handelingen 10:2) was gelovig (blz. 13). Dat is op te maken uit Handelingen 10:24, Handelingen 10:33, Handelingen 10:37.  Ook bij andere doopbedieningen van gezinnen waren er geen onwetende kinderen. Bij Lydia (Handelingen 16:13-15) is dat op te maken uit Handelingen 16:40; bij de stokbewaarder (Handelingen 16:30-34) blijkt dat uit vers 34; bij Crispus blijkt dat uit Handelingen 18:8; bij Stefanus (1 Korinthe 1:16) blijkt dat uit 1 Korinthe 16:15 (blz. 14).

Dooppraktijk Nieuwe Testament

De juiste volgorde is: prediking, geloof, doop (Mattheüs 28:19). De dooppraktijk in het Nieuwe Testament laat dat ook zien (Handelingen 2: 38, 41; Handelingen 8:12,37-38; Handelingen 9:17-18; Handelingen 10:47-48; Handelingen 16:14-15, 31-33; Handelingen 18:8; Handelingen 19:5) (blz. 15). Discipel van Christus wordt men niet door geboorte of doop, maar door geloof. ‘Welnu, geloof is geen erfgoed, doch een welbewuste zielsdaad, waartoe elk persoonlijk komen moet om te kunnen ingaan’ (blz. 16).

Uitleg teksten

Dopen ‘in de naam van’ veronderstelt dat de dopeling in een levensgemeenschap met de Drieënige God staat. Dat kan alleen door geloof (blz. 16).
De belofte in Handelingen 2:39 slaat op de uitstorting van de Heilige Geest. De belofte van de doop met de Geest geldt voor een ieder die Gods Woord aanvaardt (blz. 17). De bekende tekst 1 Korinthe 7:14 betreft een uitwendige heiligheid, die ook geldt voor de ongelovige man (blz. 17).  

Zaad

De doop is niet in plaats van de besnijdenis gekomen. De oudtestamentische Godsgemeente werd afgezonderd van de andere volken door de besnijdenis, die gold voor ieder jongetje dat vanwege geboorte Jood was. Dit was een voorafschaduwing van de nieuwtestamentische Godsgemeente, waar men echter niet door geboorte, maar door geloof deel van wordt. Dan geldt niet het natuurlijke zaad van Abraham, maar het geestelijke zaad: de gelovigen (blz. 19).

Besnijdenis van het hart

Colossenzen 2:11-12 wijst op de besnijdenis des harten, door geloof! Als de doop in de plaats van de besnijdenis zou zijn gekomen, dan zouden de apostelen zich daar wel op hebben beroepen tegenover de christenen, die wilden dat de heidenen die gelovig waren geworden ook besneden werden (Handelingen 15).
Marcus 10:3-6 gaat over de zegening van kinderen en niet over de doop (blz. 20).

Positie kinderen van gelovigen

Een kind van gelovige ouders heeft in feite dezelfde positie als een kind van niet-gelovige ouders: beiden zijn niet binnen het Godsrijk geboren. Voor beiden geldt de eis van wedergeboorte, bekering en geloof. Men denkt dat een gedoopt kind al voor ¾ christen is, maar dat is niet juist (blz. 21).

Kerkgeschiedenis

De kinderdoop is pas na 200 na Christus ontstaan en kwam in de tijd van Cyprianus (gestorven 258) in zwang (blz. 22). Augustinus (5e eeuw) pleitte voor de kinderdoop. Karel de Grote dwong heidenen tot de doop. De kerkgeschiedenis laat veel misbruik van de doop zien. Daar kun je je maar beter niet op beroepen (blz. 23).

Onderdompelen en besprengen

Baptizein betekent ‘geheel onderdompelen’ en niet ‘besprengen’. Het begieten van de dopeling ontstond onder Cyprianus (250) als nooddoop op het sterfbed. Luther wilde het onderdompelen bij de doop herstellen. In de oosterse orthodoxie is het onderdompelen bij de kinderdoop de praktijk. Romeinen 6 ziet de doop als een watergraf. Dat pleit voor onderdompelen als beeld van begraven. Besprenging is dus onschriftuurlijk, onsymbolisch en onhistorisch, volgens ds. Mense (blz. 24-26).

Gemeente en volkskerk

De doop is gemeentevorming. Het idee van een volkskerk (waar doopleden uit gewoonte belijdenis kunnen doen en invloed krijgen) is onverenigbaar met de christelijke gemeente zoals bedoeld (blz. 26-27). Het onkruid waarover Mattheüs 13 spreekt, lijkt op echte tarwe en is door de boze gezaaid. Mense: ‘Nu zal men toch moeielijk kunnen zeggen, dat de aanwezigheid van de ongeloovigen in de volkskerk Satanswerk is, omdat hij ze er in heeft gebracht, terwijl men ze zelf door den Doop er in heeft opgenomen (en dat zal men toch niet voor Satanswerk willen aangezien hebben !)’(blz. 28). Met het onkruid zijn de huichelaars en schijngelovigen bedoeld. Mense stelt dat door de kinderdoop de wereld in de kerk wordt gebracht, terwijl de wereld juist geweerd moet worden uit de gemeente (blz. 28-29).

Onderzoek!

Mense sluit zijn betoog af met een oproep om zelf de zaken te onderzoeken. Waarna hij schrijft: ‘Komt men dan voor zichzelf tot de overtuiging, dat mijn beweringen en conclusies onjuist zijn, welnu, men blijve met een gerust geweten in de Ned. Herv. Kerk. Het zal mij een voorrecht blijven, alle kinderen Gods in de Herv. Kerk (ook hen, die zich heelemaal met mijn inzichten niet kunnen vereenigen) de broederhand te blijven drukken. Is men echter overtuigd van de waarheid van hetgeen ik schreef, men aanvaarde de consequenties, want het blijft voor ieder waar: Het is niet geraden iets tegen het geweten te doen.’

Commentaar

In 31 bladzijden schetst ds. Mense zijn worsteling met en argumenten tegen de kinderdoop. Veel argumenten die aanhangers van de kinderdoop vaak noemen, voorziet hij van commentaar. Voor wie zich in de discussie rond zuigelingendoop-geloofsdoop heeft verdiept, brengt hij niets nieuws. Veel daarvan is – met andere woorden – ook in de teksten op deze website te vinden.

Duidelijke keuzes

Voor dominee Mense was het neerleggen van zijn ambt binnen de Nederlandse Hervormde Kerk als consequentie van zijn doopvisie, niet gemakkelijk. Maar hij heeft het gedaan, in vertrouwen op zijn Heer.
In onze huidige tijd schrikken we vaak terug voor duidelijke keuzes. En er lijkt, afhankelijk van het kerkgenootschap, in veel gemeenten meer ruimte te zijn voor afwijkende doopvisies. Zo kennen veel gemeenten een dubbele dooppraktijk (waarbij opdragen, kinderdoop en geloofsdoop naast elkaar bestaan). En binnen de Protestantse Kerk in Nederland (waarin de Nederlandse Hervormde Kerk voor een groot gedeelte opging) zijn er tegenwoordig ook predikanten die zich hebben laten overdopen en/of herdoop aanbieden.

Doopvisie

Enerzijds is het goed om te beseffen dat een doopvisie geen verwijdering onder christenen hoeft te en mag betekenen. Aan de andere kant is het ook niet zo, dat het er allemaal niet meer toe doet. De doopvisie bepaalt immers veel andere zaken: de visie op Israël, het verbond en de gemeente en de doopvisie heeft ook invloed op hoe men zaken als geloof, wedergeboorte, bekering en uitverkiezing ziet.
Ongetwijfeld zullen er ook predikanten in gereformeerde kerken zijn, die grote vraagtekens hebben bij de kinderdoop, maar – om uiteenlopende redenen – toch kinderen blijven dopen.

Spiegel

Dominee Mense houdt hen een spiegel voor. Enerzijds geldt Romeinen 14:5 (Laat ieder in zijn eigen geest ten volle overtuigd zijn). Anderzijds zegt Gods Woord ook: …Zalig die zichzelf niet oordeelt in wat hem goeddunkt. Wie echter twijfelt als hij eet, is veroordeeld, omdat hij het niet uit geloof doet. En alles wat niet uit geloof is, is zonde (Romeinen 14:22b, 23). Een les voor ons allemaal!

Lees W.C. Mense, Waarom uitgetreden?

De brochure van ds. Mense riep destijds reacties op, zoals van C.A. Lingbeek, Gelijk God spreekt tot Abraham en van E. Syperda, Kinderdoop of Baptisme.

W.C. Mense, Waarom uitgetreden? Een woord, in het bijzonder tot de Hervormden in Nederland, bij het neerleggen van mijn ambt, als Dienaar des Woords te N. Stadskanaal