Jan Sjoerd Pasterkamp, Gods verbond met Abraham
De pinksterchristen en zendeling Jan Sjoerd Pasterkamp schreef een Bijbelstudie over Gods verbond met Abraham, waarin hij vooral veel Bijbelteksten over de belofte aan Abraham citeert. We vatten eerst dit boekje samen.
Belofte
Vele malen wordt er in de Bijbel over ‘belofte’ of ‘beloften’ gesproken (Lucas 24:49; Handelingen 13:32-33; Handelingen 26:6-7; Romeinen 4:13; Romeinen 4:14-16; Romeinen 9:4-5, 8; Romeinen 15:8-9; Galaten 3:18-19, 22, 29; Efeze 2:12; Efeze 3:6; Hebreeën 6:12-18; Hebreeën 7:6; Hebreeën 9:15; Hebreeën 11:9, 13, 39-40; 1 Johannes 2:25; zie ook Lucas 1:54-55, Lucas 1:67-75) (blz. 13-17).
Wat wordt bedoeld met ‘de belofte’? Dat is de belofte aan Abraham (Genesis 12:1-3), dat alle volken (die geloven zoals Abraham), met hem gezegend zullen worden. Dat wil zeggen: wie in Christus gelooft, deelt in de zegen van Abraham (Galaten 3:8; Galaten 3:13-14; Handelingen 3:25-26). Abraham moest zijn land en familie verlaten. Zo moet de mens ook alles opgeven om deel te hebben aan wat God belooft (blz. 19-20).
Zeven uitspraken
De totale belofte aan Abraham (Genesis 12:1-3) bevat in feite zeven afzonderlijke uitspraken, beloften of zegeningen:
1. Ik zal je tot een groot volk maken.
2. Ik zal je zegenen.
3. Ik zal je aanzien geven.
4. Een bron van zegen zul je zijn.
5. Ik zal zegenen wie jou zegenen.
6. Wie jou bespot, zal Ik vervloeken.
7. ‘In u zullen alle geslachten van het aardrijk gezegend worden.’
Deze zeven uitspraken slaan op Jezus (blz. 44-46). Jezus geeft van deze belofte een samenvatting in Johannes 10:10: “Ik ben gekomen om hun het leven te geven in al zijn volheid” (blz. 23). Volgens Pasterkamp is het ‘heel goed mogelijk dat het verbond en de belofte van Genesis 12 en het verbond en de belofte van het land, de betekenis hebben van het meervoud ‘beloften’.’ (blz.24). Een bladzijde eerder stelt hij dat het woord ‘belofte’ slaat op de totale belofte in Genesis 12:1-3, terwijl ‘beloften’ gebruikt wordt om de afzonderlijke beloften te benoemen, die tezamen de grote belofte vormen (blz. 23).
De belofte uit Genesis 12 wordt in variaties herhaald, waarbij ook het land (nogmaals) wordt beloofd (zie Genesis 13:16; 15:1-6, 7, 13-16, 18; 17:1-8; 18:17-18; 22:15-18; Romeinen 4:18; Hebreeën 6:13-18 (blz. 24-27).
Abrahams nageslacht
Er wordt over Abrahams nakomelingen gesproken over ‘zand van de zee’ en ‘sterren van de hemel’. Hiermee wordt een grote menigte bedoeld (Genesis 32:13; Exodus 32:13; Deuteronomium 1:10-11; 10:22; 28:62; 1 Kronieken 27:23; Nehemia 9:23; Jesaja 10:22; Jesaja 48:19). Profetisch gebruikt slaan deze uitdrukkingen op het nieuwtestamentische volk, verlost door Jezus Christus (Jeremia 33:22; Hosea 2:1). Abraham was de drager van de belofte (Hebreeën 7:6). De vervulling van de belofte lag in de toekomst (blz. 28-29). Isaak en Jakob erfden de belofte (Genesis 26:4-5, 23-24; Genesis 27:29; Genesis 28:3-4, 13-15) (blz. 33-34), die de zegen van Abraham is (blz. 35). Jakob pleit op de belofte die God aan Abraham en Isaak had gegeven (Genesis 32:12-13).
De Heer bevestigde opnieuw het verbond en de belofte bij Betel aan Jakob, die Israël gaat heten (Genesis 35:9-12) (blz. 35). Juda werd binnen het volk Israël de specifieke drager van de belofte (Genesis 49:8-10; vergelijk Psalm 60:9; Psalm 78:67-69; Psalm 114:1-2; Jesaja 65:9) (blz. 37-38). Vervolgens werd de familie van David de erfgenaam van de verbonden en belofte (2 Samuël 7:11b-16; Psalm 89:27-28; Psalm 132:11). Jezus is de uiteindelijke Zoon van David, waar het allemaal om gaat (Handelingen 2:30; Jesaja 9:5-6) (blz. 38-39). Ezechiël 37:24-28 zegt, dat onder koning David het volk in Israël zal wonen en talrijk zal worden. God sluit met hen een eeuwigdurend vredesverbond. De belofte van Davids zoon wordt meerdere keren herhaald. Jezus werd vaak Zoon van David genoemd (Mattheüs 15:22; 21:9-11; 22: 41-46) (blz. 40).
Paulus legt in Galaten 3:15-16 uit, dat de belofte aan Abraham Christus gold: de ware, echte erfgenaam van de zevenvoudige belofte. Het ‘zaad’ (nageslacht) in Genesis 22:15-18 is Christus (blz. 43-44).
Uitleg van de belofte
De zevenvoudige belofte moet als volgt worden gelezen:
1. Ik zal je tot een groot volk maken: zij die in Jezus Christus geloven zijn de echte nakomelingen van Abraham (Galaten 3:6-9), een groot volk!
2-3. Ik zal je zegenen, Ik zal je aanzien geven: dat gold Abraham, maar slaat ook op Christus (Handelingen 2:36), Die de hoogste plaats ontving aan Gods rechterhand.
4. Een bron van zegen zul je zijn: dat gold voor zowel Abraham als Christus.
5. Ik zal zegenen wie jou zegenen: dat gold niet alleen Abraham, ook Christus. Voorbeeld: wie Jezus belijdt (zegent), die zal door Jezus beleden worden (gezegend worden) bij de Vader (Mattheüs 10:32-33).
6. Wie jou bespot, zal Ik vervloeken: dit slaat op Israël, maar ook op Jezus. Het is een waarschuwing: wie Christus veracht, wordt vervloekt.
7. ‘In u zullen alle geslachten van het aardrijk gezegend worden.’ U=Jezus (blz. 44-46).
Vader van alle gelovigen
Het Evangelie – de blijde boodschap van Jezus Christus – werd al aan Abraham verkondigd (Galaten 3:8-9; Johannes 8:56; Hebreeën 11:10, 16) en hij geloofde die. De belofte aan Abraham was de belofte van de Verlosser: Jezus Christus (Galaten 3:16) (blz. 47-48). ‘God heeft maar één plan: Jezus’ (Efeze 1:10) (blz. 52).
Abraham werd als heiden gerechtvaardigd door zijn geloof (Romeinen 4:9b-12), waardoor hij een vader van alle onbesneden gelovigen kon zijn, die dus door geloof gerechtvaardigd worden (vgl. Romeinen 1:17) (blz. 56-57). Abraham is vader van alle gelovigen, uit Joden en heidenen (Romeinen 4:11b-12). De heidense gelovigen hebben, op grond van het evangelie, nu deel aan het burgerschap van Israël en de beloften (Efeze 2:12; Efeze 3:3-7) (blz. 57-58, 64).
Gezegend worden
Wat houdt de belofte precies in? Alle geslachten zullen met Abraham gezegend worden (Genesis 12:3; Psalm 72:17; Galaten 3:8-9). Gezegend worden betekent: vergeving en verlossing van zonden; God zegent je, dat is: spreekt goed van je; rechtvaardiging door geloof; vrijgekocht worden van de vloek van de wet; de Heilige Geest ontvangen door geloof (Galaten 3:13-14; als het ontvangen van de Geest door geloof deel is van de belofte aan Abraham, dan zijn alle beloften over de Heilige Geest door Jezus, ook deel van de belofte van Abraham) (blz. 62); delen in de zegen van Abraham, die God in alles zegende (Genesis 24:1); bevrijd van de macht en invloed van satan; vrijmoedig, zonder vrees, ons leven lang God dienen, vanuit innerlijk verkregen heiligheid en rechtvaardigheid (Lucas 1:70-75); opgewekt worden uit de dood bij de wederkomst (voor Paulus was Jezus’ opstanding de vervulling van de belofte aan Abraham. ‘Dus betekent de ‘belofte’ ook de opstanding uit de dood van alle gelovigen die gestorven zijn, want als Jezus is opgewekt, zullen wij ook opgewekt worden (1 Korintiërs 15:20-23).’ Zie ook Handelingen 26:6-8 (blz. 63); God kennen als Vader; door geloof eeuwig leven ontvangen (Johannes 2:25). Kortom, gezegend worden is de wedergeboorte (blz. 61-65).
Strijd
Abraham, Christus en Zijn volgelingen erven de wereld (Romeinen 4:13; Psalm 2:8; Mattheüs 28:18b; 1 Korinthe 3:21) (blz. 67-69). De gelovigen moeten strijden om de erfenis (de volken) in bezit te nemen (Mattheüs 28:18-20; Efeze 6:12; Hebreeën 10:13; de ‘goede strijd’ 2 Timotheüs 4:7), zoals de Israëlieten het Beloofde Land strijdend in bezit moesten nemen (Numeri 13:30; Deuteronomium 7:1-2) (blz. 70-72). Dat betekent delen in het lijden van Christus (Romeinen 8:16-17) (blz. 74, 77, 78, 84).
Pasterkamp wijdt een heel hoofdstuk aan de wapens die God geeft om ‘het land – de volken’ in bezit te nemen (blz. 87), onder meer met liefde, nederigheid, het bloed van Jezus, gebed en proclamatie (zie blz. 88-109).
Isaak en Ismaël
Ook gaat Pasterkamp, naast de familielijn Abraham – Isaak – Jakob, het volk Israël, de stam Juda, de familie van David, tot Christus (de ware erfgenaam van de belofte) in op de familielijn via Ismaël (Genesis 16:10-14, Genesis 21:12, Galaten 4:28-31). Ismaël staat voor de wet, ‘datgene wat de mens kan doen, maar het is geen geloof in wat God kan doen.’ (blz. 125-127). De lijn van Ismaël ging door naar Esau, die geestelijke zaken minachtte (Genesis 25:23; vergelijk Romeinen 9:6-13; Hebreeën 12:15-16) (blz. 130-131). Esau trouwde onder meer met Machalat, een dochter van Ismaël. Machalat betekent ‘ziekte’ (Genesis 26:34-35; Genesis 28:9). Esau is de vader van de Edomieten (Genesis 36:8, 19, 43).
Het woongebied voor hem en zijn nakomelingen is het land of de berg Seïr (Jordanië en Saoedi-Arabië) (Genesis 32:4; Genesis 36:9; Deuteronomium 2:5; Jozua 24:4) (blz. 131 – 132). De lijn van Ismaël loopt via Esau naar Amalek, Haman en naar Herodus (Genesis 36:12; Exodus 17:16 strijd tegen Amalek; 1 Samuël 15:33 Agag, koning van Amalek; Esther 3:1; Esther 8:3,5; Esther 9:24: Haman is een nakomeling van Agag). Herodus de Grote was een Amalekiet, die de troon van David probeerde te nemen door de moord op de kinderen van Bethlehem (blz. 133). Mohammed werd waarschijnlijk geboren uit de familielijn van Kedar (blz. 141), de tweede zoon van Ismaël (Genesis 25:13) en claimde een profeet van Allah te zijn. Hij stond aan de wieg van de islam (blz. 134).
Christus en antichrist
Pasterkamp ziet de strijd tussen de twee familielijnen uit Abraham op een geestelijke wijze. De lijn Abraham-Isaak-Jakob heeft de Heer Jezus Christus voortgebracht. In Hem zullen alle volken gezegend worden. ‘De lijn Abraham-Ismaël-Edom, zal de antichrist voortbrengen die zal proberen alle volkeren onder de duistere en demonische invloed van de islam te brengen’ (blz. 136); vergelijk Amos 1:11-12; Ezechiël 35:1-7 (blz. 139-140). De Heere brengt een oordeel over Esaus nageslacht (Jeremia 49, Ezechiël 35), maar ook zullen veel moslims Jezus gaan vinden, want in Abraham zullen alle volken van de aarde gezegend worden (Genesis 22:18) (blz. 144).
Commentaar
In het licht van de hedendaagse doopdiscussie is het interessant om na te gaan wat het verbond met Abraham inhoudt en hoe dit verbond zich verhoudt tot de Gemeente van Christus. Wie hiernaar op zoek is, moet echter niet in dit boek van Jan Sjoerd Pasterkamp zijn. Zijn aanpak beperkt zich tot het opzoeken van bepaalde woorden in de Bijbel. De Bijbelteksten waarin deze woorden voorkomen (al dan niet in verschillende vertalingen), zet hij vervolgens achter elkaar, vaak los van de context. Zonder nauwkeurige exegese komt hij tot globale conclusies en losse gedachten, die niet altijd direct voortkomen uit de geciteerde teksten. Pasterkamp gooit veel onderscheiden (theologische) begrippen regelmatig op één hoop (bijvoorbeeld ‘gezegend worden’ is de verlossing die Jezus volbracht heeft en is de wedergeboorte (blz. 65)).
Globaal
De studie van Pasterkamp is door zijn globale en soms speculatieve uitleg niet altijd gemakkelijk te volgen. Na lezing krijg je de indruk dat hij vooral het Evangelie wil delen, waar hij zijn eigen zendingservaringen bijvoegt. Dat is mooi, maar het boek mist de theologische scherpte om een bijdrage te kunnen leveren aan de discussies over het verbond.
Jan Sjoerd Pasterkamp, Gods verbond met Abraham, 2011, Uitgeverij Exchange, Aalsmeer, ISBN 978-94-90959-07-4