☰ Menu

A. Kuyper, Voor een distel een mirt. Geestelijke overdenkingen bij den Heiligen Doop, het doen van Belijdenis en het toegaan tot het Heilig Avondmaal

Abraham Kuyper (1837-1920) was theoloog, predikant, oprichter van de Anti-Revolutionaire Partij (ARP), stichter van de Vrije Universiteit, medeoprichter van de Gereformeerde Kerken in Nederland en staatsman. Van 1901-1905 was hij minister-president. In het kader van de doopdiscussie wordt zijn naam vaak in verband gebracht met de controversiële leer van de ‘veronderstelde wedergeboorte’ in relatie tot de kinderdoop. Kinderen van gelovige ouders worden gezien als verondersteld wedergeboren, totdat het tegendeel blijkt. Vanuit dit perspectief kunnen baby’s gedoopt worden, want ze worden vooralsnog beschouwd als wedergeborenen, gelovigen. In Kuypers boek Voor een distel een mirt, komt deze ‘leer van de veronderstelde wedergeboorte’ regelmatig, maar terloops, ter sprake.

Titel

De titel van dit boek, dat in 1891 verscheen, verwijst naar Jesaja 55:13, waarbij de ‘distel’ een beeld is van de in zonde geboren mens, terwijl de ‘mirt’ verwijst naar wat God door Zijn genade van de mens maakt, als ‘Hij ons wederbaart ten leven, tot bekeering uitdrijft, verzegelt met zijn Bondszegelen, en siert met bloesem en vrucht’ (blz. III).
In relatief korte overdenkingen vertelt Kuyper over de sacramenten, gaat hij in op aspecten van de heilige doop (die hij ziet als het ‘bad van de wedergeboorte’, blz. IV), de openbare belijdenis en het heilig avondmaal. We vatten hier de inhoud samen, voor zover deze relevant is voor de doopdiscussie.

Geen uitstel of mijding

We wandelen door geloof, niet door aanschouwen. God gaf echter bij het Woord (voor het oor) het sacrament (voor het oog), als een goddelijk hulpmiddel om Christus bij de gelovige te brengen (blz. 7, 11). De sacramenten zijn door de Heere zelf voorgeschreven (blz. 29). Daarom hekelt Kuyper het uitstellen van de doop uit bijvoorbeeld ‘pure slordigheid’ of armoede: ‘als in het schamele gezin de bevalling der moeder de laatste penningen uitputte, en er geen fatsoenlijk kleed voor de moeder is, om ter kerke te gaan, en ook het kindeke geen zondagskleedje heeft om ten Doop gepresenteerd te worden’ (blz. 49).
Kinderen uit ontucht geboren, moeten ook gedoopt worden (blz. 50). En passant hekelt Kuyper avondmaalmijding: ‘Den heiligen Doop zoeken ze, omdat die Doop voor hun kind is (…) maar het heilig Avondmaal ontloopen ze, omdat het teeken hierdoor op henzelven aankomt’ (blz. 13).

Zegen of oordeel

Doop en avondmaal zijn ingesteld om de gemeenschap der heiligen, met heel het Lichaam van Christus, te voeden (blz. 17-19). De twee sacramenten zijn gegeven ter bevestiging en bezegeling van het verbond dat de christen met God heeft (blz. 19, 21) en versterken het geloof (blz. 22).
Het is niet zichtbaar, hoe Gods genade in de Zijnen werkt, hoe de Heilige Geest werkt. Maar in het sacrament is er een ‘werking van Christus uit den hemel’ (blz. 25). Voor deelnemers aan de sacramenten geldt: ‘Het is of ge in de nabijheid van den Zone Gods zijt geweest’ (blz. 27).
Is de ontvanger van het sacrament een ‘verkoren kind van God, dan werkt die actie van Christus op hem ten zegen en begenadigt hem’ (blz. 26). Is die persoon een vijand van God, dan ‘gedijt hem het Sacrament niet (…) doch werkt in hem een geestelijke schade; een verergering van zijn toestand’ (blz. 26). Dan wordt de doop een oordeel (blz. 45, 47). Het water van de zondvloed tilde Noach in de ark op en daardoor werd hij gered, maar de onrechtvaardigen verdronken in datzelfde water (blz. 26).

Sacrament en geloof horen bij elkaar

Het sacrament ziet op het geloof. Sacrament en geloof horen bijeen. ‘Zoolang ge uw Sacrament buiten uw geloof houdt, blijft gij ook buiten het Sacrament staan. Alleen door het geloof heeft dat Sacrament vat op u en hebt gij met het Sacrament gemeenschap’ (blz. 31). Het sacrament versterkt het geloof (blz. 33) en is een zegel bij het Woord (blz. 36), dat alleen uitgereikt mag worden door de dienaren der kerk aan hen, die er recht op hebben. Met de enkele hypocriet, die het ten onrechte krijgt (want de kerk kan zich vergissen), hoeft niet gerekend te worden. ‘Die zoekt geen zegel en vindt geen zegel’ (blz. 37, 38).

Geboren op het verbondserf

Geboorte en doop vallen vaak samen. Lange tijd was de doopakte ook de geboorteakte. Daar komt het gezegde ‘iemands doopceel lichten’ vandaan (blz. 39, 48).
David dacht vaak terug aan zijn geboorte (Psalm 22: 10, 11; Psalm 139: 14-16; Psalm 8:3) (blz. 39-40). Dat laat zien, dat Gods liefde er eerder was dan dat we ons dat kunnen herinneren. We herinneren onze doop (als baby) vaak niet en rekenen er niet mee, maar daarmee ‘onthoudt ge Gode zijn eere’ (blz. 41).
Als baby gedoopt zijn, betekent volgens Kuyper, dat ‘ge ,,aldaar geboren zijt,” zooals het in Psalm 87 heet, t.w. op de erve van Gods heilig Genadeverbond’, geboren ‘op de erve des Koninkrijks’ (blz. 42). Kuyper zegt erbij, dat men van buiten het erf van het verbond naar het Koninkrijk van Christus kan komen en dat ‘geboren Koningskinderen’, geboren op het erf van het verbond, in het heidendom kunnen terugvallen (blz. 42).

Wedergeboorte en doop horen bij elkaar

Wedergeboorte is noodzakelijk om de doop werkzaam te laten zijn. ‘En als het Hem, den Vader der geesten, niet gehengt, uw kindeke vooraf de genade der wedergeboorte te schenken en het alzoo de kiem van het geloofsvermogen in te planten, dan het uw kindeke niets baten, al wierd het tienmaal gedoopt, ja, dan zal die Doop eer het oordeel voor uw kindeke verzwaren’ (blz. 52).
De vraag is dan, of God aan het kind in de wieg de wedergeboorte daadwerkelijk schonk. ‘En als ook mijn lieveling vroeg van mij ging, zal dan ook deze bloemkop eens ontluiken in den hof des Heeren? Wie zóó vraagt, die krijgt er ook gebed voor. Als vrucht van het gebed wekt God de Heere geloofsbeweging in zijn ziel’ (blz. 52). Volgens Kuyper mag men dan de wedergeboorte bij de baby veronderstellen: ‘onderstellende, vertrouwende, ja geloovende, dat God uw kindeke nog meer schonk dan wat de geboorte bracht uit het vleesch’ (blz. 52). Die doop ‘vindt dan zijn grond in een genadewerk, dat God de Heere reeds in uw kleinen lieveling volbracht’ (blz. 53).

Doop en Geest horen bij elkaar

Volgens Kuyper hadden de gelovigen in Efeze (Handelingen 19) wel van de Heilige Geest gehoord, maar nog nooit gehoord ‘van een mededeeling des Heiligen Geestes bij den Doop’ (blz. 56). Ze wisten niet dat de Heilige Geest gegeven werd bij de doop. Ze waren alleen ‘valselijk’ gedoopt door een discipel van Johannes, in de naam van Johannes, maar niet met het oog op de komende Messias. Daarom werden ze nu gedoopt in de naam van de Heere Jezus en ontvingen ze door handoplegging de Heilige Geest. Een christelijke doop is een doop waarbij de Heilige Geest wordt ontvangen. Ook bij de doop van Jezus gebeurde dat (blz. 56).

Geloofsvermogen

Volgens Kuyper plant God vóór de doop van het kind het geloofsvermogen in, al kan het kind nog niet geloven. Zo heeft een baby ook een spreekvermogen gekregen, al kan het nog niet spreken. Door de doop wordt, door een daad van de Heilige Geest, het ingeplante geloofsvermogen versterkt (blz. 57). God laat een werk dat Hij begon, nooit varen. Dankzij die ‘sterking’ kan men later tot daadwerkelijk geloof komen (blz. 58). Elke doopsbediening is steeds weer ‘de terugkeering van dien éénen zelfden Doop, waarmeê Jezus en al zijn volk gedoopt wierd’ (blz. 57). God verzegelt Zijn verbond bij elke doopsbediening opnieuw aan Zijn volk (blz. 57).

Doop met water en Geest

De doop gebeurt met water (door de mens), maar Christus doopt met de Geest. Het water is het beeld, het symbool, van de eigenlijke doop door Christus met de Geest (blz. 60). De Johannesdoop was onvolkomen, want de inwendige Geestesdoop zat daar nog niet bij. Dat gebeurde op de Pinksterdag. Sindsdien is de doop een doop met water (door de mens), maar ‘gelijktijdig de inwendige Doop met den Heiligen Geest door Christus uit den hemel’ (blz. 60).
De doop met enkel water is een Johannesdoop. De doop met water en (direct daarop volgend de doop met) de Geest maakt de doop tot een christelijke doop (blz. 60, 61). Als je je kind laat dopen met water, doopt Christus ‘uit den hemel bij den waterdoop meê’: Hij dient de doop met de Geest toe, de eigenlijke christelijke doop (blz. 61). De doop met de Geest is niet de wedergeboorte of bekering van de dopeling. De discipelen waren al wedergeboren, toen ze de Geestesdoop ontvingen. Dat blijkt uit het hogepriestelijk gebed: ‘Deze hebben bekend, dat Gij Mij gezonden hebt’ (blz. 61). En bekeerd waren ze ook al: ‘…ze hebben uw Woord bewaard’. ‘Dat kan een onbekeerde niet’ (blz. 62). De doop met de Geest ‘doelt en ziet op de aansluiting van uw kindeke aan het Lichaam van Christus’ (blz. 62).

Geestelijk bondgenootschap

De doop is voor de gelovigen en hun kinderen. Wie door de kerk toegelaten wordt tot het Heilig Avondmaal, wordt als gelovige beschouwd. Zijn of haar kinderen mogen gedoopt worden (blz. 63), als leden van het genadeverbond. Zo worden de kinderen van de gelovigen afgezonderd van de kinderen van de ongelovigen. De gelovige en zijn kind behoren, als gedoopten, tot een ‘geestelijk bondgenootschap’ (blz. 65).

Wedergeboorte en bekering

Toen het doopsformulier werd opgesteld, werd de doop van volwassenen ‘bejaardendoop’ genoemd (blz. 66). Aanvankelijk was er alleen een kinderdoopformulier, maar door overkomst van anabaptisten en dopersen naar de gereformeerde kerken,  werd een volwassendoopformulier noodzakelijk (blz. 67). Bij de kinderdoop veronderstelt de doop wedergeboorte. Een volwassene die gedoopt wil worden, moet getuigen van (een beginsel van) ‘bekeering van de wereld tot den Christus’ (blz. 69).

Doop, Belijdenis en Avondmaal horen bij elkaar

De doop is het openen van de deur om naar het Heilig Avondmaal te komen, om ‘gemeenschap te oefenen met wie binnen zijn’ (blz. 79). De doop is niets anders dan een verzoek tot toelating tot het Heilig Avondmaal (blz. 80).
‘Wie wedergeboren is uit water en geest, die ziet nog pas het koninkrijk van verre.’ Hij ‘mag niet rusten, eer hij aanzit aan de bruiloft van het Lam, in zijn sacramenteele afbeelding’. ‘Doop en Avondmaal horen bijeen’(blz. 79). Gedoopte baby’s kunnen nog geen belijdenis doen, waardoor er jaren zitten tussen doop en deelname aan het Avondmaal.
Kuyper pleit voor belijdenis doen tussen het zestiende en drieëntwintigste jaar, als de ‘persoonswording’ voltooid wordt (blz. 80). Overigens is het belijdenis doen niet eenmalig, maar dit gebeurt al op school door het gedoopte kind, door op te komen voor (de Naam van) Jezus (blz. 81). De Heilige Geest moet werken in degene die belijdenis doet, wil de belijdenis ‘waarachtig’ zijn, vanuit het hart (blz. 84, 85). ‘De Heere moet u hebben aangenomen, en omdat Hij u aannam, daarom kunt ge van zijnen naam belijdenis doen’ (blz. 106). Het gaat daarbij om belijdenis ‘van uw Heiland’ en ‘van uw zonde’. Het gevoelsmatig besef van zonde is niet nodig, wel dat men weet dat men buiten Christus verloren is (blz. 86).

Wedergeboorte vooraf aan bekering

Zonder wedergeboorte kan er van bekering geen sprake zijn, aldus Kuyper. Wedergeboorte (als verborgen daad van God) gaat daarom aan bekering (als daad van de mens) vooraf (blz. 96, 150).
De ‘keten des heils’ is als volgt: uitverkiezing > wedergeboorte (‘op dien grond wordt gij in den naam van den Drieëenigen God gedoopt’) > bekering > openbare belijdenis > Heilig Avondmaal (blz. 150). ‘Het geloof komt uit de verkiezing, spruit op uit de wedergeboorte, en breekt door in de bekeering’ (blz. 135).

Bekering en toegelaten worden

Onder invloed van het methodisme is men gaan denken dat een (plotselinge) bekering en wedergeboorte hetzelfde zijn. Er zijn slechts weinigen met een duidelijke, plotselinge bekering. Zo kwam in de kerk de nadruk te liggen op de ‘aanneming’ (voor het belijdenis doen), waar kennis getoetst werd. Dit is onvoldoende, want het gaat om de gesteldheid van het hart. De (voortdurende) bekering ‘naar Christus toe’ is nodig (blz. 95-98, 104). Bovendien, ‘aanneming’ is een fout woord, want een gedoopt kind is al huisgenoot van het geloof, is al lid van de familie, is lidmaat van Christus. En kan dus niet aangenomen worden, maar toegelaten worden tot het doen van openbare belijdenis, waardoor men van gedoopt ‘nog onvolgroeid’ lid ‘mondig’ lid wordt (blz. 103-104, 107, 108). Alleen als gelovige kan men aan het Heilig Avondmaal (blz. 133).

Jonggestorven kinderen van de gelovigen

Bijna de helft van de gedoopte kinderen sterft, zonder van geloof te kunnen getuigen. Niemand zal echter beweren dat ze verloren zijn. Maar zonder wedergeboorte kun je het Koninkrijk van God (dat ‘binnen in’ de christen is, blz. 100) niet zien! Daarom belijden de Gereformeerde Kerken, dat de ‘wedergeboorte bij Gods uitverkorenen, in den gewonen regel, reeds plaatsgrijpt in hun prilste jeugd’ (blz. 96). Vaak blijft die wedergeboorte lange tijd verscholen. De veronderstelde verborgen wedergeboorte maakt mogelijk om bekering te eisen. Zonder wedergeboorte heeft de eis tot bekering geen zin. ‘Zal dus de Doop een ,,Doop der bekeering” blijven, dan kan zij van de onderstelling van wedergeboorte niet losgemaakt. Zoo nu loopt alles wel. Ge hebt dan hope in God, als het Hem belieft, uw jonge kinderkens door een vroegtijdigen dood van u weg te nemen’ (blz. 96).

Gemeente en individuele gelovige

Er is een zichtbare kerk op aarde, waarin de onzichtbare kerk zit. Je mag dat niet scheiden, want God heeft dat samengevoegd. Als je wel een scheiding aanbrengt, krijg je twee soorten leven: ‘Het ééne geestelijk voor uw God, en het andere als lid van een genootschap, dat dan eigenlijk buiten het heilige omgaat’ (blz. 118-119). Kuyper benadrukt het belang van de Gemeente. Het gaat om de Bruid van Christus (= ‘alle uitverkorenen saâm’), niet de (ziel van de) individuele gelovige, al is een ‘persoonlijke betrekking tusschen den Christus en uw ziel’ belangrijk. Het huwelijk is echter gesloten tussen Christus en Zijn Gemeente. Als lid van het Lichaam van Christus is de individuele gelovige in de ‘heilige liefde’ opgenomen (blz. 127). Tot zover Kuyper.

Commentaar

Abraham Kuyper is er diep van doordrongen dat wedergeboorte en doop terecht bij elkaar horen. Tegelijkertijd maakt hij onderscheid tussen enerzijds (verborgen) wedergeboorte en anderzijds geloof en bekering.

Geloven, kind van God

De Bijbel maakt niet zo’n strikte scheiding. Wedergeboorte, geloof, bekering zijn niet te scheiden van elkaar. Wie het Woord hoort en Christus aanneemt, wie in Hem en God gelooft (met zijn hart) en met zijn mond Christus belijdt, heeft macht om kind van God te worden, is uit God (weder)geboren door het Woord (Johannes 1:12-13, Johannes 3:3, 5-7, zie ook de uitleg op deze site; 1 Petrus 1:23, vergelijk Jakobus 1:18; Titus 3:5; 1 Johannes 3:1-2; 1 Johannes 5:1; Galaten 3:26), wordt door Gods Geest geleid (Romeinen 8:14), gaat niet verloren, is in Christus een nieuwe schepping (2 Korinthe 5:17; 1 Johannes 3:9), heeft eeuwig leven en wordt niet veroordeeld (Johannes 3:16-18; Johannes 5:24, zie ook Johannes 6:35; Johannes 20:31; Romeinen 10:9-10).
Hij is gerechtvaardigd, wordt in de kracht van God bewaard en zal door genade zalig worden (Handelingen 16:31; Galaten 2:16; Efeze 2:8-9; 1 Petrus 1:5).
Naast geloven noemt de Bijbel ook het woord ‘bekeren’ en roept daartoe op, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen (Mattheüs 4:17). Als je je bekeert, kom je niet om (Lukas 13:3,5). Je kunt dan gedoopt worden en je zult de gave van de Heilige Geest ontvangen (Handelingen 2:38). Door je komen tot inkeer en bekering (en werken te doen die de bekering waardig zijn), wat God wil, worden je zonden uitgewist (Handelingen 3:19, Handelingen 17:30; Handelingen 26:20).

Wedergeboorte, bekering, geloof

Wie al deze teksten op zich in laat werken, ziet dat wedergeboorte, bekering en geloof tot hetzelfde leiden: zondevergeving en gered worden.
Kuyper stelt terecht vast, dat bekering en geloven niet kunnen zonder wedergeboorte. De vraag is echter, of de Bijbel ruimte laat om deze drie begrippen niet samen te laten vallen in het leven van de christen. Lees je ergens in de Bijbel, dat iemand onbewust wedergeboren werd en later tot geloof of bekering kwam?
Teksten als Psalm 22:10-11, Psalm 71:6, Lukas 1:15, 41 en Johannes 3:8 spreken weliswaar over onder meer geloof vanaf de moederschoot en het verborgen werk van de Geest, maar overtuigen niet om te concluderen dat de Bijbel een veronderstelde, onbewuste, wedergeboorte bij kinderen van de gelovigen leert, die later moet leiden tot geloof en bekering.

Emotioneel

Kuyper lijkt vooral vanuit emotionele, pastorale redenen te redeneren. Hij speelt in op het gemoed van de doopouders, om de doop niet uit te stellen. ‘En werkt de liefde voor uw kindeke dan zoo zwak, dat ge, zooveel aan u hangt, uw lieveling ongedoopt zoudt laten sterven?’ Stel de doop niet uit, omdat de moeder er nog niet bij kan zijn. ‘Geen echte moeder zal ooit gedoogen, dat, om eigen genot, het kindeke uit haar schoot, ook maar een enkele weke, daar het toch immers sterven kon, ongedoopt zal blijven liggen’ (blz. 66).

Kindersterfte

Hij weet van de grote kindersterfte onder christenen (zeker in zijn tijd). Kinderen die vaak nog niet tot een leeftijd zijn gekomen om bewust ‘ja en amen’ te zeggen op het Evangelie. Zijn deze dan verloren? De Bijbel heeft het daar niet over. Voor christenen is het moeilijk, zeker als het eigen jonggestorven kinderen betreft, om deze vraag onbeantwoord te laten. De gereformeerden geven een antwoord op basis van hun verbondstheologie. Anderen, zoals de Fijnvandraats, hebben die theologie niet nodig om te concluderen dat jonggestorven kinderen, of ze nu gelovige ouders hadden of niet, bij God zijn.

Verondersteld

Kuyper wil de vraag naar de zaligheid van jonggestorvenen ook niet onbeantwoord laten en komt met zijn leer van veronderstelde wedergeboorte. Op basis daarvan mogen kinderen die nog niet kunnen getuigen van geloof, toch gedoopt worden en als gelovigen worden beschouwd. En komen ze vroegtijdig te overlijden, dan zijn ze toch wedergeboren geweest en ‘loopt alles wel’ (blz. 96). Hiermee wil Kuyper meer zeggen dan wat de Bijbel zegt.

Tijd

Er is een verkiezing van eeuwigheid (Handelingen 13:48; Romeinen 8:29-30; Titus 1:2; Efeze 1:4-5; 2 Timotheüs 1:9; 2 Thessalonicenzen 2:13; 1 Petrus 1:1-2). Vanuit Gods perspectief speelt tijd geen rol en zouden uitverkorenen – bij wijze van spreken – al voor hun geboorte gedoopt kunnen zijn. Maar wij mensen leven in de tijd. Wij kunnen niet weten of iemand gelooft, wederom geboren is, bekeerd is, tenzij de persoon in kwestie daarvan getuigt in leer en leven. Daarop kan en moet gedoopt worden, zoals dat ook in het Nieuwe Testament gebeurde (Markus 16:16; Handelingen 2:38; Handelingen 2:41; Handelingen 8:12; Handelingen 8:36-37 (NB vers 37 ontbreekt in bepaalde grondteksten); Handelingen 10:47-48; Handelingen 16:14-15, 30-34; Handelingen 18:8; Handelingen 19:5-6; Handelingen 22:16).
En als dat dopen toch onterecht blijkt te zijn? Dan komt dat voor rekening van de dopeling zelf. Zo kan men zich immers ook een oordeel eten tijdens het Heilig Avondmaal, niet onderscheidende waar men mee bezig is (1 Korinthe 11:27-29).
Tot slot: laten we onze dooppraktijk niet baseren op veronderstelde, verborgen wedergeboorte, hoe logisch ook gedacht, maar op Gods Woord!

Kuyper, A. (1891). Voor een distel een mirt: Geestelijke overdenkingen bij den heiligen doop, het doen van belijdenis en het toegaan tot het heilig avondmaal (3e dr.). Boekhandel Höveker & Wormser, Amsterdam.