☰ Menu

Gert Jan Boender, Het Messiaanse volk.

Wie zich verdiept in de positie van Israël ten opzichte van de Gemeente, loopt grote kans vragen te gaan stellen bij de kinderdoop.  Zo wordt de kinderdoop vaak gelegitimeerd vanuit de gedachte dat de doop in de plaats van de besnijdenis is gekomen. Maar is dat wel zo? Is de praktijk van de kinderdoop niet een exponent van de vervangingstheologie? Met het grootste gemak worden oudtestamentische teksten die bedoeld zijn voor Israël, toegepast op de Gemeente. De vraag is of dit zomaar kan. Daarom is het goed om – in het kader van de doopdiscussie – je ook  te verdiepen in de positie van Israël in relatie tot de Gemeente.

In Het Messiaanse volk gaat de auteur met zevenmijlslaarzen door de Bijbel en spreekt over de Messias, Israël en de wereld. We zoomen in op enkele thema’s die ons zicht op het verbond en de doop kunnen verhelderen en laten de rest die dit boek biedt, rusten.

Voor Jood en heiden

Het oude verbond is de wet die op de Sinaï aan het volk Israël is gegeven, onder de ordening van Aäron (Hebr. 7:11). Israël heeft dit verbond vernietigd, waardoor het verdween (Jer. 31:32; Hebr. 8:13). De Heere heeft een nieuw verbond beloofd (Jer. 31:31) onder de ordening van Melchizedek (blz. 28).

Cruciaal voor dit nieuwe verbond is Jezus Christus, de Messias. Hij is de Enige, door Wie we -heiden en Jood – zalig kunnen worden (Hand. 4:8-12). Er is geen verlossing dan in de Messias (blz. 30).

Mozes schreef al over Hem (Joh. 5:46). De auteur wil dan ook niet weten van een tegenstelling tussen Mozes en Jezus. De Messias mag niet losgesneden worden van Zijn eigen volk. Niet door de Judaïsten die Jezus’ weg van behoud verwierpen. Maar ook niet door de christenen, die het Joodse volk afschreven. Door de christenen werd Jezus vereenzelvigd met de christelijke kerk en daarmee losgemaakt van Zijn eigen volk (blz. 31). Maar Jezus kwam voor Jood en heiden (Jes. 49:6). De Joden zijn erfgenamen, de heidenen zijn medeërfgenamen door het Evangelie (Ef. 3:6) (blz. 32).

Het verbond met de Messias

God maakte een verbond met David (Ps.89:4). Bij het verbond hoorde het gebod dat het nageslacht van David God moest gehoorzamen (Ps. 89:31, 32). God geeft beloften, die niet afhankelijk zijn van de trouw van Davids nageslacht (Ps. 89:34-36). Dit is de aardse kant van het verbond. Er is echter ook een hemelse kant: de Messias is de grote Zoon van David (Luk. 1:31-33). God heeft – aldus Boender – een contract met de Messias gesloten, het zogenoemde ‘verbond der verlossing’, vóór de schepping van de wereld (1 Petr. 1:20). Het staat buiten de tijd. Daarom kunnen we geen tijdstip aanwijzen wanneer dit verbond gesloten is. Boender baseert het verbond der verlossing tussen God en de Messias onder meer op Jes. 42:1. Jezus is de Knecht des Heeren. Dit geeft de verhouding tussen God en de Messias aan. De Messias, als Knecht, wil het ‘recht der heidenen voortbrengen’ (Ps. 40:8,9; Hebr. 10:7)(blz. 35-36).

Het verbond met het volk

God heeft niet alleen met de Messias als Zoon van David een verbond gesloten, maar ook met het volk. Dit is het verbond met Abraham en zijn zaad (Gen. 17:7-10). De beloften aan Abraham zijn: een blijvend voortbestaan van het volk Israël, een nationaal bestaan van het volk Israël in Kanaän en heil voor de wereld. Boender verbindt het verbond van Abraham aan het verbond op de Sinaï. Ook dat verbond is gericht op het heil voor de wereld (Deut. 4:5-8). Israël moet laten zien wie God is. Als Israël leeft als licht voor de volkeren,  ontvangt ze de zegen van het verbond (blz.38-39). Als ze ongehoorzaam is, ontvangt ze de vloek van het verbond. De geschiedenis is bekend: Israël was ongehoorzaam en verloor het recht op het land. Het Sinaïtisch verbond werd door Israël vernietigd (Jer. 31:32). Dit is echter weer de aardse kant.

Het verbond met Abraham, dat in diepste zin met de Messias is opgericht (Gen. 22:18; Gal. 3:16) en daarom in wezen het Messiaanse verbond is, is daardoor eeuwig. Omdat het Sinaïtische verbond tijdelijk was,  beloofde God een nieuw verbond (Jer. 31:31-33). Ook dit nieuwe verbond is in wezen het Messiaanse verbond, aldus Boender. Het nieuwe verbond staat binnen het kader van het verbond met Abraham. De beloften aan Abraham worden dus via dit nieuwe verbond gerealiseerd: het volk Israël blijft bestaan, het volk keert terug naar het Beloofde Land en de zegening van Abraham komt tot de volken (Gal. 3:14) (blz. 40-41).

Het verbond met de wereld

God sloot ook een verbond met Noach (Gen. 9:8-10) en in hem met alle levende wezens. Terwijl het volk Israël de tien geboden kreeg, heeft de wereld in het Noachitisch verbond zeven geboden. Deze geboden hebben betrekking op afgoderij, godslastering, het vergieten van bloed, seksuele zonden, diefstal, het eten van een levend dier en de verplichting om een wettelijk systeem in te stellen (Hand. 15:19-21). Doordat vele christenen zich in de plaats van Israël stelden, is het onderscheid tussen de tien geboden voor Israël en de zeven geboden voor de wereld niet duidelijk geworden, met alle gevolgen van dien (blz. 42-43). Het wezen van het Noachitisch verbond is – volgens Boender – het Messiaanse verbond. Hij noemt hier de volgende argumenten voor:

Boender komt tot de conclusie dat het verbond met Noach, Abraham (met daarbinnen het nieuwe verbond), en met David in wezen één is: het Messiaanse verbond.

Discussie zuigelingendoop – gelovigendoop

Waar staat Boender als het over de doop gaat? Voor mijn gevoel vermijdt hij de doopdiscussie rond zuigelingen- en gelovigendoop. Boender stelt enerzijds vast dat de christelijke gemeente – zoals de Nederlandse Geloofsbelijdenis in artikel 27 belijdt – de vergadering van alle gelovigen is. Maar hij zegt ook, dat de christelijke gemeente begrepen is in het Messiaanse verbond en dus een verbondsgemeente is. En aangezien in het verbond ook de kinderen begrepen zijn, is dat de basis voor de kinderdoop. Boender vervolgt: ‘Maar uit het feit dat kinderen van gelovigen uit de volkeren gedoopt worden in plaats van besneden, blijkt dat het hierbij niet gaat om het verbond met Abraham. Gelovigen uit de volkeren komen in de Messias tot hun bestemming: echte kinderen van Noach te zijn. Het is alleen mogelijk echt mens (dat is zoon van Noach) te zijn door het geloof in de Messias. Op deze manier hebben de gelovigen uit de volkeren deel aan het Messiaanse verbond en zijn ze kinderen van God. Gelovigen uit het volk Israël komen in de Messias tot hun bestemming: echte kinderen van Abraham te zijn. Op deze manier hebben ze deel aan het Messiaanse verbond en zijn ze het volk van God. Het is alleen mogelijk echt Jood ( dat is zoon van Abraham) te zijn door het geloof in de Messias. Er is enerzijds geen wezenlijke scheiding tussen het volk Israël en de volkeren, omdat de Christus van de wereld dezelfde is als de Messias van het volk Israël. Maar anderzijds is het noodzakelijk dat het verbond met Noach en het verbond met Abraham niet met elkaar verward worden’ (blz. 45). Jammer dat Boender niet vertelt, hoe dan de opmerking over de kinderdoop moet worden gezien ná deze woorden.

Water- en vuurdoop

De auteur behandelt wel de waterdoop en vuurdoop van achtereenvolgens de Messias, het volk en de wereld, waarbij hij de Messiaanse weg schetst van sterven, dood en opstaan (in tegenstelling tot de anti-Messiaanse route van opgaan, blinken en verzinken). De Messiaanse route komt steeds terug in de Bijbel. De weg van de Messias wordt verbonden aan de weg van Israël en van de wereld.

Waterdoop Vuurdoop
Messias Matt. 3:15: Jezus geeft Zich in de doop van Johannes over aan God om de weg te gaan die God van Hem vraagt: sterven, dood en opstaan. Luk.12:50: Jezus geeft Zich over in de dood en is door God verhoogd (Fil.2:6-11).
Volk 1 Cor.10:1,2: Israël brak met het oude leven in Egypte, ging door het water heen en kwam daaruit op om naar het Beloofde Land te gaan in overgave aan God. Maar van een wezenlijke overgave was geen sprake. 70 na Christus: verwoesting van Jeruzalem. Daar begon de lijdensweg van Israël. Dieptepunt: Holocaust.In Auschwitz leek het Joodse volk te sterven. Maar zij stond op> 1948: staat Israël uitgeroepen.
Wereld 1 Petr. 3:20,21: Noach en de zijnen werden door het water van de zondvloed heen gered. Daarna was er geen wezenlijke overgave aan God. 2 Petr.3:6,7, 10-13: de aarde zal in vuur ondergaan. Maar er komt een gelouterde, nieuwe aarde. Mensen sterven, maar zullen opgewekt worden. (1 Cor. 3:12-15; 15:42).

Commentaar

Prachtig, als je zo de grote lijnen in de Bijbel weet te typeren en dieper inzicht in Gods Woord verschaft. Het vereenvoudigt de Schrift. Maar daar kleven ook gevaren aan. Boender benadrukt de overeenkomsten in de verbonden en komt zo tot de conclusie dat zij in wezen één zijn. Nu valt niet te ontkennen dat elk verbond overeenkomsten heeft met andere verbonden. Het zijn tenslotte verbonden. Maar de lijnen die Boender trekt, komen soms wat gekunsteld over.  Binnen het christendom wordt gediscussieerd of er sprake is van een verbond der verlossing, een verbond tussen God en de Messias. Voor Boender staat dit vast en hij hangt daar zijn visie op de overige verbonden aan op. Daarbij onderscheidt hij een aardse en hemelse kant van het verbond. De Bijbel geeft voor sommige verbonden, zoals het verbond met Abraham, zelf aanleiding om deze in een breder perspectief te beschouwen (zie bijvoorbeeld Gal. 3). Maar als het gaat over het Noachitisch verbond moet Boender nogal doorredenen om – al concluderend – dit verbond te laten passen in het kader van zijn schema van het Messiaanse verbond.  Daarbij rijzen de volgende vragen op: Ziet de Bijbel het zelf ook zo? Of lezen wij er iets in, dat er niet staat? Zijn de schema’s van Boender er om de Schrift te verduidelijken of moeten de Bijbelteksten in de schema’s passend worden gemaakt? En wanneer moeten we iets als ‘aards’ duiden en wanneer iets als de ‘hemelse kant van het verbond’?

Het zijn de vragen die bij elke verbondstheologie te stellen zijn.

Niettemin verrijkt dit boek je: het geeft zicht op de Messias,  Israël en de volkeren, maar ook op de doop in breed perspectief.

Gert Jan Boender, Het Messiaanse volk. De plaats van Israël binnen een gereformeerd kader, uitgeverij Chai Pers Nijkerk 2001, ISBN 90-73632-06-4