☰ Menu

J. Coccejus, De leer van het verbond en het testament van God

W.J. van Asselt en H.G. Renger vertaalden Coccejus’ Summa doctrinae de foedere et testamento Dei in het Nederlands: De leer van het verbond en het testament van God. In 398 bladzijden behandelt Coccejus dit onderwerp, waarin hij vele onderwerpen uit de geloofsleer uitvoering behandelt. Daarbij polemiseert hij onder meer tegen de remonstranten, de rooms-katholieken, (collega)theologen en de Socinianen.

Juridische beschrijving

Dit zeventiende-eeuwse boek (de vertaling  is gebaseerd op de uitgave van 1673-1675) staat ver af van de hedendaagse lezer. Allerlei theologische problemen worden daarin behandeld, die voor ons geen probleem zijn. Waar men vroeger wakker van lag, is tegenwoordig geen item meer. De systematische, haast juridische, beschrijving van alle aspecten van een bepaald onderwerp – met de bekende ‘ten eerste’, ‘ten tweede’ enzovoort – doet soms vermoeiend aan. Compact schrijven was in die tijd niet gebruikelijk. Bovendien kan ik me niet aan de indruk onttrekken, dat de logische redeneertrant van de auteur  – in plaats van Gods Woord zelf – de lezer moet overtuigen. De vraag is of hij de Bijbel laat spreken of dat hij zijn theologisch schema over de Bijbelteksten legt en allerlei termen ‘inleest’ in de Schrift. Waar vind je termen als ‘verbond der werken’ in de Bijbel terug? Het gevaar bestaat, dat dergelijke begrippen een eigen leven gaan leiden, waardoor er geen ruimte meer is voor de Schrift om – los van deze theologie – voor zichzelf te spreken. We moeten altijd oppassen, om onze theologische kijk niet te laten heersen over de tekst. Het aardige is, dat Coccejus daar zelf ook voor waarschuwt (blz. 320). Het toont maar weer aan, dat theologiseren altijd mensenwerk blijft.

Toch blijft het bijzonder, om tijdens het lezen te ontdekken, dat je deze zeventiende-eeuwse broeder op veel punten (helaas niet alle) de hand kunt schudden, alsof die eeuwen die tussen hem en ons instaan, er niet zijn. Het is prachtig om te lezen hoe Coccejus alle credits voor het geloven bij God legt. Hij is Degene, Die werkt in mensen, waardoor zij Hem gaan belijden. Heerlijk, als je Zijn werk in eigen leven mag ervaren!

Verbonden

Het verbond neemt bij Coccejus een centrale plaats in. In het kort onderscheidt hij:

Door het opgerichte genadeverbond wordt in de heilsgeschiedenis het werkverbond in stappen afgebroken (abrogatieleer). Pas bij de Wederkomst zijn alle negatieve gevolgen van het verbreken van het werkverbond door de zondeval, afgebroken. In de bespreking van zijn biografie Johannes Coccejus. Portret van een zeventiende-eeuws theoloog op oude en nieuwe wegen, geschreven door Van Asselt, ben ik hier op ingegaan.

Doop

We zoomen even in op wat Coccejus schrijft over de doop. Hij zegt:

  1. De doop is een teken, dat het volgende duidelijk maakt:
    • De vernietiging van de oude mens, die geschiedt deels in de kruisiging van Christus (Rom. 6:6), deels door het vrijspreken van het geweten van de zonde, deels door de begonnen heiligmaking en deels door de vernietiging van het lichaam
    • De zaligheid en het leven uit de dood
    • De dood en opstanding van Christus
    • De gemeenschap met Christus om deze beide te verwerven (blz. 286).
  2. De doop is een bede om een goed geweten tot God, een argument en een grond om God als Vader aan te roepen (blz. 286).

Volgens Coccejus moet het ‘dopen tot vergeving der zonden’ in Hand. 2:38 gelezen worden als: ‘dopen tot verzegeling van de vergeving der zonden’ (blz. 287).

Enkele bladzijden verder zegt Coccejus van de doop: ‘Daarom wordt de Doop genoemd een Doop der bekering en tot bekering, (of liever: van bekering en vernieuwing), in zoverre God, die om Christus’ wil aan Joden en heidenen de vernieuwing tot leven geeft, Hand. 11: 18, door de Doop aan degenen die een beginsel van bekering hebben, de duurzaamheid van die genade bevestigt, Matth. 3:2, 6, 8 en 11; Marc. 1: 4; Luc. 3:3; Hand. 13:24 en 19:4.'(blz. 290).

Coccejus stelt vervolgens, dat de kinderen der gelovigen voor gelovigen moeten worden gehouden of dat we dat moeten hopen. Hij schrijft op blz. 298: ‘Zoals nu de Besnijdenis aan heel Abrahams nageslacht gegeven werd, niet alleen aan volwassenen, maar ook aan kinderen, ter verzegeling van de bewarende genade jegens de kinderen der gelovigen, zo moet men stellen dat de Doop door de Kerk ook terecht aan de kinderen bediend wordt. Met recht worden zij voor gelovigen gehouden, òf hoopt men, met de nodige liefde, en uit de aard der zaak, dat zij belijdenis afleggen van hun geloof en gelovigen zijn, ook al struikelen zij vele malen en blijven zij in bepaalde opzichten, wat hun plicht aangaat, in gebreke. Want er zijn ook kinderen in Christus, 1 Cor. 3:1.’

Hoe je hun doop moet zien, als deze kinderen geen gelovigen blijken te zijn, en er geen grond is om te hopen dat ze dat zijn, vermeldt Coccejus niet. Wel stelt Coccejus: ‘Want er is niets, dat Gods Verbond vernietigt dan alleen ongeloof  en verwerping van Gods woorden. Daarvan is bij kinderen geen sprake.'(blz. 299). Hierbij verwijst Coccejus naar Israëls nageslacht dat heilig wordt genoemd (Ezra 9:2; Jes. 6:13). De heidenen die in het verbond zijn opgenomen, zijn aan de Israëlieten gelijk geworden (blz. 299).

Ondanks alles wat Coccejus vermeldt over de betekenis van de doop, stelt hij geen vraagtekens bij de praktijk van de zuigelingendoop. Integendeel, deze probeert hij te legitimeren met de bekende argumentatie: de doop is in de plaats van de besnijdenis gekomen (blz. 296).

Het blijft ingewikkeld: kinderen van gelovigen zijn – volgens Coccejus – gelovigen of moeten daarvoor worden gehouden, waardoor de betekenis van de doop op hen van toepassing is, maar dit argument geldt niet om hen te kunnen dopen. De analogie besnijdenis – doop is het ware “bewijs”, dat kinderen van gelovigen die in het verbond zijn, gedoopt mogen worden.

Tot slot

In deze fragmentarische bespreking doe ik Coccejus’ werk tekort. Ik heb het hier besproken in het licht van de discussie rond het moment van dopen.  Vanuit dat oogpunt zegt hij weinig nieuws, maar verwoordt hij het gereformeerde standpunt (in een bepaalde variatie). Over zijn verbondsleer valt veel meer te zeggen. Bewust laat ik die hier rusten. Verbond en doop zijn in de gereformeerde theologie nauw met elkaar verbonden. Maar Coccejus’ visie op het verbond geeft geen afwijkende gereformeerde visie op de (kinder)doop.

Johannes Coccejus, De leer van het verbond en het testament van God, uitgeverij De Groot-Goudriaan Kampen 1990, ISBN 90 6140 218 2