Walter Tessensohn, Het Nieuwe Verbond vervangt Het Oude Verbond
Wie zich verdiept in de discussie rond kinderdoop en volwassendoop, kan niet om verbondstheologie heen, die vooral onder gereformeerden is ontwikkeld. Kort gezegd houdt deze theologie in: God ging in het Oude Testament met Abraham en zijn nageslacht (de Joden) een verbond aan. In het Nieuwe Testament werd dit verbond uitgebreid naar de gelovigen uit de heidenen en hun nageslacht. Zoals de geboren jongetjes van de Joden besneden moesten worden, zo moeten daarom de kinderen van de gelovigen gedoopt worden (Doopformulier). De zuigelingendoop wordt zo gerechtvaardigd uit de verbondstheologie. Niet zelden wordt de kinderdoop daarom ‘verbondsdoop’ genoemd.
Aangezien geloof en doop echter volgens de Bijbel op één of andere manier bij elkaar horen (Markus 16:16; Handelingen 2:38, 41; Handelingen 8: 12, 36-38; Handelingen 16:30-34, Romeinen 6:3-4; Galaten 3:26-27), zijn er door de eeuwen heen veel discussies onder kinderdopers geweest, want niet alle kinderen van de gelovigen (gaan) geloven. Hoe zit dat dan? Enerzijds zijn er daarom discussies over de betekenis van de kinderdoop (wat zegt de doop de dopeling?), anderzijds over de reikwijdte van het verbond (delen alle gedoopte kinderen in de verbondsbeloften of zijn er twee soorten kinderen van het verbond?).
Walter Tessensohn, oudste en leraar in een evangeliegemeente in Noord-Holland, die ook het boek De Doop en de Belofte van de Vader schreef, zet in Het Nieuwe Verbond vervangt Het Oude Verbond zijn verbondsvisie uiteen en levert daarmee een andere kijk op het verbond. Laten we eerst zijn boek samenvatten.
Verbond met Abraham
In Genesis 15:18 staat, dat de Here een verbond met Abraham sloot, met een landbelofte. In Genesis 17 belooft God aan Abraham, dat hij een vader van een menigte volken zal worden (blz. 116). Ook belooft Hij Abraham en zijn natuurlijk nageslacht het land Kanaän (Genesis 17:8) en dat Hij hun tot een God zal zijn (Genesis 17:7) (blz.117). God richtte Zijn verbond op met Abraham, later ook met Isaak (Genesis 17:19, 21) en met Jakob (Genesis 28:13-14, 21-22) (blz. 117-118). God kiest voor de lijn Abraham – Isaak – Jacob. Het gaat hierin volgens Tessensohn niet over uitverkiezing, behoud of geen behoud, maar over de ‘soevereine keuze van God in welke lijn Zijn heil zou gaan lopen’ (blz. 25, 29).
Verbond op de Sinaï
Het verbond werd daarna ook gesloten op de Sinaï (blz. 118), dat Tessensohn het ‘oude verbond’ noemt (blz. 11). Het was een eeuwig verbond, met voorwaarden (blz. 118). Zowel de zegeningen als de vervloekingen van het oude verbond (Deuteronomium 28:1-68) betroffen het fysieke volk Israël en het fysieke beloofde land (blz. 48, 155, 161-162). Bij verbondsbreuk zou Israël uit het land verdreven worden (Deuteronomium 28:15-65; vgl. Leviticus 18:21-30; 2 Koningen 21:9) (blz. 119, 162-163).
Wet
De zegeningen van de wet gingen niet over behoud (blz. 88-89). Dat kon ook niet, want we worden behouden door geloof (Habakuk 2:4), ‘zodat wij dienen in de nieuwe staat des Geestes’ (Romeinen 7:6) (blz. 90).
De zegeningen van het houden van de wet hadden enkel betrekking op een goed leven in het beloofde land (Deuteronomium 28:1-14). Wie de wet doet, zal daardoor leven (Galaten 3:12; Romeinen 10:5), maar het gaat daarbij om leven op aarde. Niemand wordt gerechtvaardigd door de wet (Galaten 3:11). Het Sinaïverbond of de Tien Geboden (Deuteronomium 4:13, blz. 47) laat de overtredingen zien (Galaten 3:19) en is een niet te dragen juk (Handelingen 15:10), de ‘bediening des doods, met letters op stenen gegrift’, ‘die veroordeling bracht’ (2 Korinthe 3:7, 9) en een tuchtmeester (Galaten 3:24-25) (blz. 12, 88-89, 99).
Sinaïverbond verbroken
Israël heeft het oude Sinaïverbond verbroken (Jeremia 31:31-32, blz. 56). Israël heeft zich niet gehouden aan het oude verbond en God heeft Zich daarom niet meer om Israël bekommerd (Hebreeën 8:9) (blz. 87). Het Sinaï-verbond is verouderd verklaard. De landbelofte en de belofte een uniek volk van God te zijn (Exodus 19:5), zijn komen te vervallen (blz. 120-121, 13, 57, 141).
Kan een verbond dat door God ingesteld is, vervallen? Volgens Tessensohn wel. God is altijd trouw aan Zijn woord (2 Timotheüs 2:13; Jakobus 1:17; 1 Petrus 1:25), maar Gods beloften waren voorwaardelijk (Exodus 19:5, Deuteronomium 28:16-65; Jeremia 18: 8, 10; 1 Samuël 2:30; vgl. ook Mattheüs 18: 23-35) (blz. 126-129, 133, 139).
Tessensohn noemt in dit kader het voorbeeld van de koperen slang, door God ingesteld (Numeri 21:8). Deze slang werd stukgeslagen (2 Koningen 18:4). De spijswetten, door God ingesteld, vervielen ook na Christus’ dood en opstanding (Handelingen 10:13-15).
Definitieve einde verbond
Israël verbrak het oude verbond, maar het definitieve einde van het oude verbond kwam, toen Christus de vloek (veroordeling) op Zich nam (Galaten 3:13; Romeinen 10:4; Efeze 2:14-15) (blz. 88, 118-120, 133). Door de veroordeling (de vervloekingen uit Deuteronomium 28) uit te voeren op Christus, door de sancties van de voorwaarden van het oude verbond uit te voeren, eindigde het oude verbond (blz. 47, 57, 118). Christus heeft ‘in zijn vlees de wet der geboden, in inzettingen bestaande, buiten werking gesteld’ (Efeze 2:14-15, blz. 147).
Nieuw niet-exclusief verbond
Ondanks zijn ongehoorzaamheid werd Israël niet verstoten, want God gaf Israël een nieuw verbond (‘omdat zij geliefden zijn om der vaderen wil’, blz. 132). Door het nieuwe verbond is het oude verbond (eerste verbond) voor verouderd verklaard (Hebreeën 8:8-10, 13) (blz. 87).
Het oude vervallen verbond was uitsluitend bestemd voor de Israëlieten (vergelijk Exodus 19:5-6). Het nieuwe verbond is echter niet meer exclusief voor Israël (blz. 48). Door de val van Israël – de verbondsbreuk die Israël pleegde – is het heil tot de heidenen gekomen (Romeinen 11:11). Zij worden toegevoegd aan het nieuwe verbond (blz. 13, 56, 130, 132).
De belofte dat met Abraham álle volken gezegend zullen worden, is gebleven. De Messias is uit Israël voortgekomen. Hij is het heil uit de Joden, het zaad van Abraham (Genesis 28:14) (blz. 120-121), voor Jood en Griek.
Geloof
Voor iedereen geldt: het gaat om geloof in Christus (Romeinen 10:11-13) (blz. 49), besneden zijn van hart. Dan ben je een echte Jood (Romeinen 2:28-29) (blz. 18). Christus is geen koning van een aards Joods koninkrijk (Johannes 18:36), maar van een ‘geestelijk Israël’ (blz. 42-43, 144), waartoe alle gelovigen behoren (Efeze 2:19, blz. 145).
De ongelovige Joden beroemden zich op hun afkomst en de wet in plaats van op de genade van God (Romeinen 2:17-24; Johannes 8:33-59) (blz. 35-41). Niet allen die van Israël afstammen, zijn Israël (Romeinen 9:6). Natuurlijke afstamming is geen garantie voor behoud (blz. 24-25). Je kunt Abraham als voorvader hebben, maar geestelijk de duivel tot vader hebben (Johannes 8:37-44). Je kunt behoren tot een afstammeling van Israël, maar niet behoren tot de kinderen der belofte (blz. 24).
In het hart
Het nieuwe verbond is ‘de bediening des Geestes’ en ‘Gods wet in het hart grift’, leven en rechtvaardigheid (2 Korinthe 3: 3, 6, 8, 9) (blz.12). Niet de veroordelende tien geboden van de Sinaï, maar ‘de wet des levens’, ‘Gods wet van normen van goed en kwaad’ worden onder het nieuwe verbond in het hart van de gelovige geschreven (blz. 153). Christus is het einde der wet (Romeinen 10:4). De wet eiste de dood van de overtreder en Christus nam deze straf op zich. Hij heeft betaald voor ons. Daardoor zijn wij voor de wet gestorven en eigendom geworden van Christus (Galaten 2:19; Romeinen 7:4; 1 Korinthe 6:19-20) (blz. 46-47).
Gods beloften voor het nieuwe, eeuwige verbond, zijn – volgens Tessensohn – voorwaardelijk: wie daaraan deel heeft door geloof, maar daarna door ongehoorzaamheid afvalt, valt niet meer onder dat verbond en kan alsnog verloren gaan (blz. 134).
Bedekking
De heerlijkheid van het oude verbond, die afstraalde van het gezicht van Mozes, was slechts tijdelijk (2 Korinthe 3: 7, 11, 13, 14). De gedachten van de Israëlieten werden verhard. Er is een bedekking over het voorlezen van het oude verbond, die slechts in Christus verdwijnt (2 Korinthe 3:14).
Volgens Tessensohn is het oude verbond vervangen door het nieuwe verbond, maar de Israëlieten en veel christenen denken dat het oude verbond er nog steeds is. Zij hebben een bedekking (blz.11-12, 148-149). ‘Die bedekking maakt dat men niet ziet dat de heerlijkheid van dat verbond verdwenen is!’ (blz. 149). ‘Ook eeuwige verbonden komen tot een einde indien de sancties worden voltrokken’ (blz. 119).
Het oude verbond, met feestdagen, nieuwe maan en sabbat die slechts schaduwbeelden zijn van de werkelijkheid van Christus (Colossenzen 2:16-17) (blz. 14, 18), staat tegenover het nieuwe verbond (blz. 12). Wie zich vasthoudt aan de inzettingen van het oude verbond, zoals de sabbat en Joodse feestdagen (Galaten 4:1-10), doet – volgens Tessensohn – zonde (blz. 93-95).
Rest en gelovige heidenen
Romeinen 11:25-26 gaat over een gedeeltelijke verharding over het volk Israël (niet ‘tijdelijke’ verharding!). Door de heilsgeschiedenis heen is er echter ook altijd een ‘Israël Gods’ geweest (Galaten 6:16; Romeinen 8:6), een behouden niet-verharde rest. Sinds het nieuwe verbond worden daaraan ook gelovige heidenen toegevoegd (Romeinen 9:23-29; Romeinen 11:1-5, 7; Hosea 1:6-10; Jesaja 10:21-22; Jesaja 1:9; Jesaja 59:20; Efeze 2:12-13) (blz. 27, 32-34, 42, 51, 53-54, 60, 135).
De wet van het verbond (‘de tussenmuur die scheiding maakte’) sloot heidenen uit, maar deze is door Christus aan het kruis buiten werking gesteld (Romeinen 11:14-15). Hierdoor is de vijandschap tussen Jood en heiden opgeheven. Zij zijn één lichaam geworden (Romeinen 11:16) (blz. 63-64, 130).
Hagar en Sara
Hagar is het beeld van het huidige, aardse Jeruzalem, met de Joden in slavernij, het Israël naar het vlees (Galaten 4:25). Dit in tegenstelling tot Sara, het hemelse Jeruzalem, dat ‘onze moeder is’ van de christenen in Galaten en van Paulus. Dat stond al in Jesaja 54:1.
De Galaten zijn, net als Isaak, kinderen der belofte, kinderen van de vrije (Galaten 4:28-29) (blz. 101-103). Zij moeten zich niet laten besnijden, want zij zijn vrij van het slavenjuk van de wet, vrijgemaakt door Christus (Galaten 5:1-11) (blz. 104-105).
Onder de wet ben je verkocht onder de zonde, zodat je niet doet wat je wilt (Romeinen 7:14-24). ‘Maar gelukkig, door Christus word je verlost van het lichaam dezes doods’ (Romeinen 7:25) (blz. 107). Besneden of niet besneden zijn betekent niets, want het gaat erom een nieuwe schepping te zijn, door het geloof in Christus (Galaten 6:15). Galaten 6:16 spreekt in dit verband over het ‘Israël Gods’. Dit is dus niet het Israël naar het vlees (vgl. Romeinen 9:6) (blz. 113-114).
Besnijdenis
Christenen uit de Farizeeën vonden dat gelovigen uit de heidenen besneden moesten worden en de wet van Mozes moesten houden. Petrus bestrijdt dat (Handelingen 15:5, 10-11; vergelijk Colossenzen 2:16-19; Efeze 2:14-16) (blz.75-77). Het oude verbond ‘was een tussenmuur tussen Jood en heiden, die Christus heeft weggebroken’ (blz. 77).
Iedere gelovige in Christus ís (geestelijk) nageslacht van Abraham (Galaten 3: 6-9). De beloften aan Abraham betreffende de zegeningen zijn voor alle volken die uit het geloof zijn: gelovige heidenen en het Israël Gods (de gelovige rest van Israël). De Jood die niet in Christus gelooft, die verhard is, behoort niet tot dat geestelijk nageslacht van Abraham (blz. 84-86).
Belofte
De beloften werden gedaan aan Abraham en zijn nageslacht, dat wil zeggen: Christus. De wet van het oude verbond, die 430 jaar later kwam, maakte de beloften aan Abrahams nageslacht niet ongedaan. (Galaten 3:15-18) (blz. 88-89).
Genesis 22:15-19 vertelt dat met Abrahams nageslacht (Christus) alle volken der aarde gezegend worden: zij worden door geloof erfgenamen der belofte (Hebreeën 6:17), ontvangen de belofte van de Heilige Geest (Handelingen 2:33), worden gerechtvaardigd en ontvangen eeuwig leven (Titus 3:7), worden erfgenamen van God (Romeinen 8:17), worden erfgenamen van deze wereld (Romeinen 4:13; Openbaring 5:10) en van het Koninkrijk Gods (Jakobus 2:5), worden hemelburgers (Efeze 2:19), verkrijgen het burgerrecht Israëls (Efeze 2:12-13), krijgen een plaats in de hemelse gewesten in Christus (Efeze 2:6) en zullen als koningen heersen op de hele aarde, het ‘beloofde land’ (Romeinen 5:17; 2 Timotheüs 2:12; Openbaring 5:10) (blz. 98-99, 143).
Degenen die door geloof in Christus zijn (of je nu Jood of heiden, slaaf of vrije, man of vrouw bent), zijn zaad van Abraham, de vader der gelovigen, en ontvangen de Heilige Geest en het eeuwige leven. Zij zijn naar de belofte erfgenamen (Galaten 3:26-29; Romeinen 4:11-12) (blz. 91).
Edele Olijf
Hoe moet Romeinen 11:16-24 gelezen worden? De wortel, die heilig is (Romeinen 11:16), is Jezus Christus (Openbaringen 5: 5, 9), niet Israël. De oorspronkelijke takken zijn de Israëlieten, die door ongeloof en overtredingen zijn weggebroken. Gelovige heidenen worden geënt op de edele olijf en krijgen daardoor deel aan de sappen van de wortel (blz. 58-59). De weggebroken Joodse takken kunnen echter weer geënt worden op Christus, de saprijke wortel Davids (Romeinen 11:23-24; Openbaring 5:5) (blz. 13-14, 48). Dat iedere Jood weer geënt kan worden, betekent dat de Joden als volk niet zijn verstoten (blz. 27).
Volheid
Met de ‘volheid van de heidenen’ (Romeinen 11:25) worden niet gelovige heidenen bedoeld, maar: de volheid van ongerechtigheid bij ongelovige heidenen (zoals gezegd wordt van Amorieten, Genesis 15:16). De gedeeltelijke verharding van Israël zal duren tot het einde. Aldus, op deze manier, zal ‘gans Israël’ (dat is: de gelovigen uit Joden en heidenen) behouden worden (blz. 60-61).
Ontferming
Romeinen 11:28-32 spreekt over de ongehoorzame Joden, die ‘geliefden om der vaderen wil’ zijn. Door hun ongehoorzaamheid is het heil (ook) naar de heidenen gegaan. Israël is ongehoorzaam geworden, ‘opdat zij nu, door de ontferming van de gelovige heidenen, ontferming zouden ontvangen…’(vers 31) (blz. 65-67).
Verbondsvisie
Tessensohns verbondsvisie is als volgt samen te vatten:
– God sloot met Abraham een verbond, met het oog op zijn natuurlijk nageslacht (met de landbelofte) en zijn geestelijk nageslacht (Israëls Gods en de gelovigen uit de heidenen).
– Daarna sloot God met het fysieke volk Israël het Sinaïverbond, met voorwaarden. De zegeningen waren gericht op een goed leven in het beloofde land. Pleegde het volk verbondsbreuk, dan zou het verdreven worden uit het beloofde land.
– Het volk pleegde verbondsbreuk, waardoor de landbelofte en het ‘unieke volk van God zijn’ kwamen te vervallen.
– Door Christus’ offer zijn de sancties van het Sinaïverbond uitgevoerd en heeft het oude verbond opgehouden te bestaan.
– Door Israëls val gaf God het ‘Israël Gods’ (de rest) een nieuw verbond, gebaseerd op geloof als voorwaarde, waarin ook de gelovigen uit de heidenen delen. De gelovigen uit de Joden met de gelovigen uit de heidenen vormen zo samen een ‘geestelijk Israël’, ‘Sara’. De belofte aan Abraham dat met hem alle volken gezegend zouden worden, werd vervuld: Christus is het heil uit de Joden.
– Over de niet-Christusbelijdende Joden (Hagar) kwam een bedekking, waardoor zij zich nog houden aan oude inzettingen als de sabbat en Joodse feestdagen.
– De gelovige heidenen, die ontferming van God hebben ontvangen, zullen zich ontfermen over dit verharde deel van Israël, de ‘geliefden om der vaderen wil’.
– Gelovige heidenen worden niet geënt op Israël, maar op Christus. De weggebroken takken kunnen door geloof in Christus ook weer op Hem worden geënt. Gans Israël zal zalig worden, d.w.z. de gelovigen uit Israël en de heidenen. De verharding van het overige Israël zal duren tot het einde, als de volheid van de ongerechtigheden van de ongelovige heidenen is gekomen.
Commentaar van heiligedoop.nl
Gereformeerde christenen zien een analogie tussen het oude verbondsvolk Israël en de huidige zichtbare kerk. Zij stellen dat er binnen het nieuwe verbond sprake is van gelovigen en niet-gelovigen, naar Romeinen 9:6b: ‘want niet allen die uit Israël voortgekomen zijn, zijn Israël’. Tessensohn zet echter een duidelijke knip tussen het oude en nieuwe verbond. Het oude verbond, met aardse beloften, is verdwenen. In het nieuwe verbond, met geestelijke beloften, deel je enkel door geloof. Daarmee is de analogie van de gereformeerden niet houdbaar.
Reikwijdte verbond
Als Tessensohns verbondsvisie juist is, lost dat veel discussie over de reikwijdte van het verbond op. Er is in zijn visie namelijk geen ruimte voor ‘tweeërlei kinderen des verbonds’, geen ruimte voor ‘leven op het erf van het verbond’. Nee, er is maar één soort verbondskind: de gelovige. En deze gelovige kan een bekeerde heiden of bekeerde Jood zijn.
Welke consequenties zijn visie voor het huidige verharde deel van de Joden heeft, laat ik hier rusten, omdat dat binnen het kader van deze website te ver gaat.
Geestelijk en natuurlijk
Heeft Tessensohn het bij het rechte eind? Ik vind het ingewikkeld, want Tessensohn maakt niet goed duidelijk hoe de verschillende verbonden zich tot elkaar verhouden.
Het verbond met Abraham heeft zowel een geestelijke component (Abraham als vader van gelovigen, met Christus als zijn zaad) als een natuurlijke component, de landbelofte (Genesis 17:8). Galaten 3:17-18 stelt dat het verbond met Abraham niet krachteloos is geworden. Maar moet je dan stellen: die landbelofte uit het verbond met Abraham is wel komen te vervallen? Dan zou dus het verbond met Abraham deels vervallen zijn. Of de landbelofte uit het verbond met Abraham moet louter geestelijk worden opgevat. Het betoog van Tessensohn is niet duidelijk.
Zwart-wit
Tessensohn stelt, dat het Sinaïverbond helemaal vervallen is en daarvoor in de plaats dus het nieuwe verbond gekomen is. De vraag die dit oproept, is: Ligt het Sinaïverbond in het verlengde van het verbond met Abraham (dat op één of andere manier nog geldig is), is het Sinaïverbond daarvan een nadere specificering, of is het een ander verbond? Tessensohn gaat daar niet op in.
Hij stelt dat het Sinaïverbond enkel gericht was op het aardse leven in het beloofde land en het nieuwe verbond enkel gericht op het geestelijke leven. Maar kun je dat allemaal zo zwart-wit stellen? Hoe moet ik de belofte ‘Ik zal voor u tot een God te zijn’ interpreteren, terwijl deze belofte zowel in het verbond met Abraham, het Sinaïverbond als in het nieuwe verbond wordt genoemd (Genesis 17:7; Exodus 6:6; Leviticus 26:12; Jeremia 31:33; Hebreeën 8:10)?
Is de belofte ‘Ik zal voor u tot een God zijn’ enkel voor het leven in het aardse beloofde land of juist ook, of uitsluitend, geestelijk te verstaan (God is jouw God, omdat jij door Hem bent gered)? Tessensohn noemt daarover niets.
En is bijvoorbeeld Exodus 19:5-6 enkel te lezen als gericht op het aardse leven in het beloofde land? Of heeft het ‘koninkrijk van priesters en een heilig volk zijn’ ook een geestelijke dimensie?
Sinaïverbond verdwenen
Tessensohn concludeert dat het oude Sinaïverbond verdwenen is. De argumentatie en aangehaalde bijbelteksten kunnen daarop wijzen, maar zeggen het niet klip en klaar en kun je ook anders lezen. Wel staat er: ‘En wat oud is verklaard en wat veroudert, staat op het punt te verdwijnen’ (Hebreeën 8:13). Maar wil dat dan zeggen dat het al verdwenen is? Hoe moeten we dan Romeinen 9:3-5 lezen? Paulus heeft het daar over de Joden, ‘mijn verwanten wat het vlees betreft’. Zij hebben ‘de verbonden’ (vers 4). Geen woord over dat die verdwenen zijn!
Geloof
Kortom, Tessensohn is duidelijk in zijn visie, maar er blijven wel wat vragen open. Niettemin maakt Tessensohn duidelijk waar het in de Bijbel echt om gaat: geloof in Jezus Christus. Door het geloof in Hem vinden Jood en heiden vergeving en worden zij behouden.
Wie Christus mist, heeft niets aan zijn besnijdenis, doop of andere gebruiken.
Walter Tessensohn, Het Nieuwe Verbond vervangt Het Oude Verbond, Wes Stonehens boeken 2011, ISBN 9789491026058