S. Groenveld e.a.

print

S. Groenveld, J.P. Jacobszoon, S.L. Verheus red., Wederdopers Menisten Doopsgezinden in Nederland 1530-1980


Dit boek behandelt thematisch de geschiedenis van de doperse beweging, waarbij de focus ligt op de wederdopers, menisten en doopsgezinden in Nederland. We geven eerst  de inhoud weer, voor zover relevant voor het thema van deze site. In het commentaar zullen we nagaan of deze geschiedenis ons nog iets te zeggen heeft.

Ontstaan

Door de Reformatie in de zestiende eeuw werd de macht van de Rooms-Katholieke Kerk betwist en het ambt van alle gelovigen benadrukt. Maar dat betekende niet dat het gewone volk het nu voor het zeggen kreeg. Luthers stellingname in de Boerenoorlog (1525) was, dat de vorsten die pro-Reformatie waren, gehoorzaamd moesten worden. De boeren onder leiding van Thomas Müntzer werden door de vorsten verslagen (blz. 11).
De stadsreformator van Zürich, Huldrych Zwingli, zette in 1525 de rem op een radicale reformatie, waarbij ook de gelovigendoop werd gepredikt. Zwingli koos de kant van de magistraat van de stad, die bang was als overheid het gezag over de kerk te verliezen (blz. 11).

Vervolging

De ‘wederdopers’, zoals de aanhangers van de gelovigendoop werden genoemd, werden al gauw vervolgd (blz. 11), vanuit ‘boerenopstandpaniek’ en uit angst voor een herhaling van Munster (zie verder in deze samenvatting). Zij die hun kinderen niet lieten dopen, werden door de Zürichse raad verbannen (blz. 219). Wederdoper Felix Mantz werd in 1527 gedood door middel van verdrinking en was een van de eerste doperse martelaren (blz. 11). Tussen 1531 en 1597 stierven zo’n 1500 tot 2500 dopersen de martelarendood (blz. 46). Op doperdom stonden doodstraf, verbanning en confiscatie van bezit. Tot in de 18e eeuw hadden dopersen in de Nederlanden te maken met beperkende maatregelen, tot het midden van de 19e eeuw werden dopersen in Zwitserland vervolgd (blz. 219-221).

Hoffman

De Lutherse lekenprediker Melchior Hoffman (ca. 1495-1543) kwam onder invloed van de doperse leer en werd een belangrijke doperse voorman (blz. 13). Straatsburg moest hij verlaten en hij richtte zich op Emden, waar veel vluchtelingen uit de Habsburgse Nederlanden verbleven, die de roomse leer van de lichamelijke aanwezigheid van Christus in het Heilig Avondmaal afwezen. Driehonderd van deze ‘sacramentariërs’, zoals ze werden genoemd, werden door Hoffman volwassen gedoopt (blz. 14). Hoffman schreef een traktaat, ‘De Ordonnantie Gods’ (1530), waarin hij zijn doperse opvattingen in onderlinge samenhang naar voren bracht (blz. 16). Hij benadrukte daarin de rol van geloof en het streven naar een zuivere gemeente, die als alternatief voor de kerk en samenleving van dat moment werd gezien (blz. 17).

Geweldloos en gewelddadig

Hoffman verwachtte de komst van het Koninkrijk van God op korte termijn in Straatsburg (blz. 18). Enerzijds predikte hij, dat zijn volgelingen de Wederkomst zonder wapengeweld moesten afwachten. Anderzijds nodigde hij overheden uit om met geweld zijn programma uit te voeren (blz. 23). Hij werd in 1533 in Straatsburg gevangengenomen en stierf in 1543 in een kerker (blz. 18).

Munster

Jan Matthijsz. werd de nieuwe leider van de dopersen (blz. 18). Enkele van zijn volgelingen kwamen in 1534 in Munster. Het idee ontstond, dat niet Straatsburg, maar Munster een beslissende rol zou spelen in de eindtijd (blz. 19). Jan Matthijsz. greep de macht in Munster en stuurde alle ongedoopten weg. Daarop werd de stad belegerd door onder andere de bisschop van Munster. Jan Matthijsz. sneuvelde in de strijd en werd opgevolgd door Jan Beukelsz. van Leiden. Deze voerde in Munster goederengemeenschap, veelwijverij en een oudtestamentisch koningschap in. Op 25 juni 1535 viel de stad (blz. 20). Het Munsterse drama zorgde voor een toename van de vervolging van dopersen door zowel katholieke als reformatorische overheden (blz. 21). Pas na Munster richtte de hoofdstroom van dopersen zich op geweldloosheid (blz. 24).

Menno Simons

Menno Simons was een rooms-katholieke priester die in 1524 vicaris werd in Pingjum bij Witmarsum. Hij twijfelde aan de rooms-katholieke leer, verdiepte zich in de Bijbel en de commentaren van Luther. Zijn opvattingen kwamen overeen met die van de sacramentariërs. Door de onthoofding van de melchioritische doper Sicke Freerks in 1531 verdiepte hij zich ook in de doop en kwam tot de conclusie dat ‘wy met den kinderdoop bedrogen waren’ (blz. 33). Ondertussen werd hij bevorderd tot pastoor in Witmarsum (1532). In 1535 besloot hij, na veel gewetensstrijd, alleen nog de waarheid te verkondigen en nam hij stelling tegen alles wat in zijn ogen on-Bijbels was. Enerzijds zette hij zich af tegen de roomse leer, anderzijds tegen de ideeën van de Munsterse dopersen (blz. 26, 28, 33-34).

Oudste

Hij werd door anti-munsterse dopersen benaderd om oudste te worden. Na een tijd van gebed en nadenken werd Menno Simons in het ambt van oudste bevestigd in 1537 door Obbe Philips (blz. 35). Obbe Philips had zich in 1533 bij de dopersen aangesloten. Zijn volgelingen werden ‘Obbieten’ genoemd (blz. 28). Dirk Philips, een voormalige franciscaner monnik en de broer van Obbe, werd Menno’s medewerker (blz. 26).

Davidjoristen

Er waren in die tijd veel doperse stromingen, waaronder ook de davidjoristen. Zij waren aanhangers van David Joris, die de doop geestelijk opvatte. Een zichtbare doopbediening met water vond hij niet nodig. Hij beschouwde zichzelf, op grond van een openbaring, als de ‘derde David’ (blz. 30). Menno Simons noemde hem een valse profeet (blz. 29-31).

Boeken

Menno Simons schreef zijn zienswijze op in ‘Dat Fundament des christelycken leers’ (1539-1540). Dit Fundamentboek, in 1558 herzien, werd vele malen herdrukt (blz. 36). Menno schreef vele andere werken, waaronder ‘Verclaringhe des christelycken Doopsels’ (1542), een verdediging van de geloofsdoop. Simons werd een rondreizend prediker en werd nooit gepakt door zijn vervolgers (blz. 26, 37). Dirk Philips schreef een beknopte doopsgezinde dogmatiek, ‘Enchiridion of Hantboecxken van de Christelijcke Leere’ (1564) (blz. 43).

Menswordingsleer

In Menno’s theologie is Christus het Woord dat vlees geworden is (Johannes 1:14), de nieuwe Adam, maar geen ‘vlees en bloed van Maria’ (blz. 59, 68). Met Christus begint de nieuwe schepping. De wedergeboorte van de mens, door het van God gegeven geloof (blz. 58), is enkel een begin. Het gaat om de gemeente, als het hier en nu gerealiseerde Rijk van God (blz. 42).

Mondigendoop

De ‘mondigendoop’ (blz. 108), volgend op bezinning en inkeer en samengaand met een wil tot levensverbetering, liet, volgens de dopersen, geen ruimte  voor de kinderdoop, want van kinderen kon je dat alles niet verwachten. Daarom waren er vroedvrouwen in dienst van de gemeente, die ervoor zorgden dat de geboren kinderen niet direct werden gedoopt. De doopformule had geen magische kracht om zalig te worden. Zij die gedoopt wilden worden, ontvingen eerst onderwijs. De doop vond plaats in het midden van de gemeente, tenzij de vervolging dat niet toestond (blz. 51-52, 55).

Doop- en avondmaalsleer

Niet zozeer de belijdenis van het eigen geloof, maar het ‘zich stellen onder de tucht van de gehoorzaamheid’, het treden in de voetsporen van Christus, bracht de mensen tot de doop (blz. 113).
Het avondmaal moest worden gevierd tot Christus’ gedachtenis. Het brood en de wijn veranderde niet letterlijk in het lichaam en bloed van Christus. Zoals Israël deel had aan het altaar (1 Korinthe 10:18), zo heeft de christen deel aan het lichaam van Jezus, stelde de doper Jacques d’ Auchy (blz. 53).

Zwaard

Dopersen zagen af van het gebruik van het zwaard en weigerden in het leger te gaan, mede als reactie op de gebeurtenissen in Munster. Menno wees er al op, dat een christen andere wapens heeft. Vreemdelingschap en weerloosheid werden gepredikt, evenals de ban als pedagogisch middel (blz. 164-165).

Rechtvaardigmaking en heiliging

De dopersen keurden een nationale kerk onder bescherming van vorsten af: de gemeente was enkel een verzameling van belijdende gelovigen (blz. 45), zonder hiërarchie of geestelijke gezaghebbers (Mattheüs 23:8) of een overkoepelend gezaghebbend instituut.
De staat, de overheid en de kerken die de overheid steunden, rekenden de dopersen tot ‘de wereld’ (blz. 62-63). Zij zagen het idee van een Corpus Christianum, een gekerstende samenleving waarin kerk en staat samenvielen, niet zitten (blz. 69). De dopersen wezen een (automatisch) lidmaatschap van een kerk sinds je geboorte af en benadrukten de vruchten van het geloof. Daarom kun je slechts door bekering en geloof deel krijgen aan Gods Rijk en de gemeente (blz. 146). Het gaat niet enkel om ‘iustificatio’, de rechtvaardigmaking door het geloof (zoals bij Luther), maar ook om de ‘sanctificatio’, de heiliging, de ‘beteringe des levens’ (blz. 116, 147).

Huwelijk

De wereldmijding bij de dopersen ging soms zo ver, dat een huwelijkspartner alleen binnen de eigen gemeente gezocht mocht worden, op straffe van censuur of excommunicatie (blz. 224). Oudsten moesten het huwelijk goedkeuren, anders ging het niet door. Soms was er sprake van echtmijding, waarbij de huwelijkspartner het huwelijk opzegde met degene die uit de gemeente was verbannen, totdat deze berouw toonde (blz. 225).

Wereld en gemeente

De calvinisten kozen voor een volkskerk (wijzend op Mattheüs 13:24-30; Mattheüs 13:36-43), terwijl Menno Simons stelde dat het in Mattheüs 13 gaat over de wereld, niet over de gemeente (Mattheüs 13:38). En hij gaf de calvinisten na, dat zij de dopersen (die de calvinisten als ‘onkruid’ zagen) niet mochten doden vóór de oogst (blz. 68-69). 

Spanningen rond wezen gemeente

Er was veel verdeeldheid onder de dopersen, met name over het wezen van de gemeente (blz. 64). Daarbij ging het om de heiligheid en de plaats van de ambten in de gemeente (blz. 73). Er waren spanningen te constateren rond ‘eenheid en heiligheid van de gemeente’ en ‘de katholiciteit (algemeenheid) en apostoliciteit (diensten; gaven van de Geest) van de gemeente’.
De gemeente is de gemeenschap der heiligen (1 Korinthe 1:2). Niet voor niets staat in Efeze 4:1-6 de heiligheid voorop. Het gaat dus niet alleen om eenheid, de juiste leer, maar ook om heiligheid en gehoorzaamheid (Romeinen 1:5; Romeinen 16:26), afgezonderd van de wereld (blz. 66-67). Daarbij gaat het in de gemeente om het ambt van alle gelovigen, maar ook om de bijzondere gaven van de Heilige Geest (Romeinen 12; 1 Korinthe 12; Efeze 4).

Als gevolg van het benadrukken van het algemeen priesterschap der gelovigen hechtten dopersen weinig waarde aan wetenschappelijke theologische scholing. Bijbelkennis en verlichting met de Heilige Geest was voldoende (blz. 67-68).

Rekkelijken en preciezen

De gemeente is een hechte gemeenschap van gelovigen, waarin discipline een grote rol speelt (blz. 42). In de praktijk van het mennonietengemeenteleven werd de ban rigoureus toegepast, met vele scheuringen als gevolg (blz. 42-43, 71). De strijd om een zuivere gemeente leidde tot een naar binnen gerichte focus in plaats van gerichtheid op de wereld (blz. 147).
Er ontstonden groepen van gematigde dopersen, zoals de zogenoemde waterlanders, die zich liever doopsgezinden noemden. De meer behoudende en strenge dopersen noemden zich menisten (blz. 71). In het midden van de zeventiende eeuw hadden velen zich verzoend met elkaar, waardoor er maar een paar verschillende doopsgezinde groepen waren (blz. 76).
In de achttiende eeuw zette de tolerantie zich ten opzichte van elkaar door, onder invloed van enerzijds toenemend rationalisme en anderzijds de invloed van het piëtisme, waarin de bevinding, de innerlijke persoonlijke ervaring, benadrukt werd en niet de leerstelligheden (blz. 78).

Verwereldlijking

In de 18e eeuw en 19e eeuw integreerden de dopersen meer en meer in de wereld (blz. 239). In de negentiende eeuw groeide de verwereldlijking onder de doopsgezinden, die onder invloed kwamen van het modernisme. Daarbij stond de mens centraal met zijn ratio en ervaringen, in plaats van de bovennatuurlijke openbaring. Het Réveil vormde daarop een reactie (blz. 80-81). In doopsgezinde kringen kreeg de vrijzinnigheid ruime aanhang, al was er ook een rechtzinnige stroming (blz. 242).

Commentaar

De geschiedenis van wederdopers, menisten en doopsgezinden zet aan het denken en houdt ons een spiegel voor.

Radicaal

Was de Reformatie met daaruit voortkomend de gereformeerde kerken wel radicaal genoeg? Of vielen de gereformeerden, als kinderen van hun tijd, toch voor de wereldse heersers die de kerk als een middel zagen om hun macht te behouden? De wederdopers zagen het scherp en pleitten voor een scheiding van kerk en staat. Daarmee waren ze hun tijd ver vooruit.
Ook wezen ze het corpus christianum af. Niemand wordt immers door geboorte christen, alleen door wedergeboorte (Johannes 3:5). De bereidheid om te sterven voor hun geloof heeft ons ook wat te zeggen. En toch… het debacle van Munster vormde door allerlei onbijbelse ideeën zeker geen reclame voor de ‘radicale reformatie’ van de wederdopers. Gelukkig namen de dopersen onder leiding van Menno Simons daar afstand van.

Heiligheid en eenheid

Het streven van de dopersen naar een heilige gemeente is lovenswaardig en bijbels. Geloven is woord én daad, belijdenis en bekering: je herkent de christen aan zijn vruchten. Maar de keerzijde van dit streven naar een heilige gemeente betekende in de praktijk dat er veel onenigheid en afsplitsingen ontstonden, die op gespannen voet staan met Johannes 17:11, 21-23. De geschiedenis van de dopersen laat ons zien, dat er spanning is tussen het streven naar eenheid en het streven naar heiligheid van de gemeente, evenals tussen het ‘ambt aller gelovigen’ en de ambten.
Het vraagt van kerkenraden veel wijsheid om op een goede manier de heiligheid en eenheid van de gemeente te bewaren en de tucht te hanteren.

Munster

Christenen van andere stromingen kleuren hun beeld van de dopersen vaak door de gebeurtenissen in Munster. De framing van rooms-katholieken en calvinisten om àlle dopersen van een etiket te voorzien waar ‘ketterij’ op stond, kwam hen goed uit. ‘Munster’ werd zo een argument om de doperse leer van de gelovigendoop niet meer serieus te hoeven nemen. Jammer, want daardoor werd het luisteren naar de dopersen over wat zij in de Bijbel lazen, vertroebeld.
Het is verleidelijk om je af te vragen: Als ‘Munster’ niet had plaatsgevonden, hadden gereformeerden en dopersen elkaar dan uiteindelijk wel gevonden? Dat is de vraag, want ook het ‘corpus christianum’ had nog vele aanhangers en stond mijlenver af van wat de dopersen als juist achtten.

Evangelisch – reformatorisch

Feit is, dat na 500 jaar Reformatie de nazaten van beide stromingen – dopers en gereformeerd – nog steeds discussiëren over onderwerpen die hen scheidden. Veel doperse ideeën hebben – vanuit de evangelische beweging – invloed gekregen onder gereformeerde christenen. En veel evangelische gemeenten zijn actief dankzij christenen die groot zijn geworden in één van de traditionele gereformeerde kerken. Beide stromingen lijken niet zonder elkaar te kunnen.

Zuivere gronden

In deze tijd van secularisatie hebben zij elkaar hard nodig. De scherpe kanten zijn eraf. Munster is vergeten en terecht. En de gelovigendoop wint terrein. Dat kan als positief worden gezien, mits deze op zuivere gronden plaatsvindt. Want zowel onder kinderdopers als onder gelovigendopers zijn er velen die zich soms meer hun gevoel laten spreken dan het Woord. Het gevolg is een dooppraktijk, die – Bijbels gezien – vragen oproept.

Wie denkt te staan

Dopersen bleken soms gevoeliger voor hun eigen ideeën dan voor wat de Bijbel leert, zowel in de begintijd, rond Munster, als in de moderne tijd met zijn vrijzinnigheid. Vele doopsgezinden zijn voor die vrijzinnigheid gevallen. Het streven naar een zuivere gemeente of het hanteren van volwassenendoop is dus geen garantie gebleken voor rechtzinnigheid.
Zo heeft de geschiedenis van de dopersen ons allen wat te zeggen, of je nu een gereformeerd of evangelisch christen bent. Immers, voor elke christen geldt: ‘Daarom, wie denkt te staan, laat hij oppassen dat hij niet valt’ (1 Korinthe 10:12).

S. Groenveld, J.P. Jacobszoon, S.L. Verheus red., Wederdopers Menisten Doopsgezinden in Nederland 1530-1980, uitgeverij De Walburg Pers, Zutphen 1981, 2e druk, ISBN 9060112466