J. Norcott

print

John Norcott, De doop op duidelijke en getrouwe wijze opengelegd

John Norcott (overleden in 1676) schreef dit boekje, dat 64 bladzijden telt. Het werd door Stichting Het Braambos (een stichting die werken van de Engelse Strict Baptists vertaalt) in 2017 opnieuw uitgegeven.

Doop van Christus als voorbeeld

Norcott behandelt eerst de doop van Christus aan de hand van acht aspecten als een voorbeeld voor de gelovigen. Hij gaat daarbij hier niet in op het onderscheid tussen de christelijke doop ( die door Christus zelf werd ingesteld (Mattheüs 28:19) en de doop door Johannes (waarmee Jezus werd gedoopt). Norcott benadrukt dat Christus als volwassene werd gedoopt en merkt daarbij op: ‘Als ooit iemand als kind gedoopt zou mogen worden, waarom dan Christus niet?’ (blz.10).  Christus is terstond opgeklommen uit het water (Mattheüs 3:16), waarmee Norcott wil zeggen dat besprenkeling niet de Bijbelse manier van dopen is (blz. 12).

In hoofdstuk 2 behandelt de auteur de grote opdracht uit Mattheüs 28:19. Onderwijs gaat vooraf aan de doop. In het Grieks staat er niet ‘onderwijst’, maar ‘maakt discipelen’. Degenen die gedoopt worden, moeten eerst discipel van Christus zijn gemaakt (blz.15). God zal een Vader voor hen zijn (Norcott verwijst hierbij naar 2 Korinthe 6:17-18) en God zal altijd met hen zijn (Mattheüs 28:20) (blz. 16-17).

Doop van gelovigen als voorbeeld

Hoofdstuk 3 noemt acht Bijbelse voorbeelden van mensen die gedoopt werden. Zij werden eerst discipelen (Johannes 4:1), werden verslagen in het hart (Handelingen 2:37), namen zijn woord [van de apostel] gaarne aan (Handelingen 2:41), geloofden (Handelingen 8:12), voordat ze gedoopt werden (blz. 18). Ook Handelingen 8:35-39 stelt, dat alleen gelovigen werden gedoopt. ‘Indien gij gelooft, zo is het geoorloofd.’ Het Grieks zegt: ‘Zo is het wettig’, zo is het volgens Christus’ wet’ (blz. 19). In Handelingen 16:33-34, waar het gaat over de doop van de stokbewaarder en zijn huis, zijn het ook gelovigen die gedoopt worden: hij verheugde zich dat hij met al zijn huis aan God gelovig geworden was (vers 34) (blz. 20). Lydia’s hart werd door de Heere geopend en ze werd gedoopt (Handelingen 16:14). Ook Crispus en zijn huis geloofden aan de Heere, evenals vele Korinthiërs,  en ze werden gedoopt (blz. 21).

Dopen moet door onderdompeling

In hoofdstuk 4 maakt Norcott aan de hand van veel Bijbelteksten duidelijk, dat het dopen niet door besprenkelen moet gebeuren, maar door onderdompeling (vergelijk Mattheüs 3:6, 3:16; Lukas 12:50; Johannes 3:23; Handelingen 8:38-39; Romeinen 6:4; 1 Korinthe 10:1-2; Kolossenzen 2:12 (begraven veronderstelt een totale bedekking); Galaten 3:27 (Christus aandoen veronderstelt van hoofd tot voeten bekleed worden door Christus) (blz. 22-23). Het Griekse woord ‘baptizo’ betekent immers ‘onderdompelen’, ‘overstromen’ (blz. 22). Een enkel Bijbels gegeven dat Norcott aanhaalt om zijn gelijk aan te tonen dat de doop veel water vereist, is wat gezocht. Zo schrijft hij: ‘De ark was een type dat de Doop uitbeeldde (1 Petr. 3:21). Voorwaar, toen het veertig dagen en veertig nachten op de ark regende, was hij helemaal doornat. Hij was onder het water, onder wolken van water.’ (blz. 23). De auteur vindt, dat we ons in de doopwijze moeten houden aan wat God voorschrijft in Zijn Woord, want God staat afwijkingen niet toe. Vreemd vuur keurde God af (Lev. 10:1-2); Mozes sloeg op de steenrots in plaats van te spreken tot de steenrots en hij moest buiten Kanaän sterven (Numeri 20:8, 11-12); Naäman moest zich houden aan wat God had voorgeschreven: onderdompelen in de Jordaan (2 Koningen 5:12-14); vergelijk ook Hebreeën 8:5: Zie, … dat gij het alles maakt naar de afbeelding [het voorbeeld dat u op de berg getoond is] (blz. 24-25).

Tegenwerpingen

Hoofdstuk 5 en 7 stellen vast, dat de waterdoop moet blijven tot de tweede komst van Christus. Je mag niet iemand van de doop weerhouden, omdat hij te veel genade of te veel van de Geest zou hebben ontvangen (hoofdstuk 6).

In hoofdstuk 8 gaat de schrijver in op allerlei tegenwerpingen. Tegenwerping 5 gaat over de vraag of de doop in de plaats van de besnijdenis is gekomen. Norcott antwoordt: ‘Zeker niet, want er is geen enkel Woord van God voor zoiets dergelijks en u moet niet wijs zijn boven hetgeen geschreven is (1 Kor. 4:6). Overweeg verder dat de besnijdenis alleen de jongetjes betrof, maar in Hand. 8:12 staat: ‘Toen zij … geloofden, … werden zij gedoopt, beide mannen en vrouwen’ (blz. 33).

Op de tegenwerping dat er geen Schriftwoord is tegen het dopen van kinderen, zegt de auteur: ‘Nadab en Abihu werden met vuur verbrand, omdat zij deden wat de Heere niet geboden had (Lev. 10:1-3) … Waar vindt u een Schriftwoord dat zegt: ‘U zult geen klokken dopen’? U kunt immers in het boek der martelaren lezen dat men dat deed. … Maar u moet weten: als bewijs tegen de kinderdoop is het genoeg dat hij niet geboden wordt’ (blz. 33-34). Hiermee wil Norcott zeggen, dat we uit moeten gaan van wat de Schrift gebiedt. De redenering ‘als de Schrift het niet verbiedt, is het toegestaan’, is dus niet een goed argument, omdat zo alle niet-Bijbelse tradities kunnen worden goedgepraat.

Norcott gaat ook nog in op het verbond en maakt een onderscheid tussen natuurlijk en geestelijk volk van God. Hij wijst op het verbond van God met Abraham en zijn natuurlijk zaad, om hen het land Kanaän te geven (Gen. 17:7-8). ‘Maar als het gaat om de belofte van leven en zaligheid, werd deze aan Abraham en zijn geestelijke zaad gedaan: ‘Nu, zo zijn de beloftenissen tot Abraham en zijn Zaad gesproken. Hij zegt niet: En den zaden, als van velen; maar als van één: En uw Zaad, Hetwelk is Christus’ (Gal.3:16)’. Waarmee hij wil duidelijk wil maken, dat alleen de gelovigen (kinderen der beloftenis) tot het geestelijk zaad, tot kinderen van God, worden gerekend. Hij verwijst daarbij naar Romeinen 9:8 (blz. 35).

In Markus 10:14 ‘Laat de kinderkens tot Mij komen’ staat niet dat ze gedoopt werden en is daarom geen argument pro kinderdoop (blz. 36). Wat Handelingen 2:39 betreft, legt Norcott het accent op ‘zovelen als er de Heere onze God toe roepen zal’. De belofte van de Geest, waar het in Handelingen 2:39 over gaat, wordt alleen vervuld aan diegenen die God zal roepen, zowel kinderen als ouders, niet standaard aan alle kinderen van gelovigen, want velen van hen ‘zijn vleselijk’ (blz. 36-37).

Met een beroep op Handelingen 19, waarin mensen opnieuw worden gedoopt omdat er een gebrek in hun (Johannes)doop was – immers, zij waren gedoopt met de opdracht om in de komende Christus te geloven (vers 4), terwijl Hij al gekomen was – stelt Norcott vast, dat zij die als zuigeling zijn gedoopt, opnieuw gedoopt moeten worden. De kinderdoop was een doop zonder toestemming van de dopeling, zonder geloof (dus zonde, zie Romeinen 14:23), dus geen doop, maar een overgeleverde traditie (blz.37).

Het ‘geheiligd zijn’ in 1 Korinthe 7:14 moet volgens de auteur gelezen worden als dat de kinderen en de ongelovige man ’ten dienste staan van de gelovige’. Hij verwijst daarbij naar 1 Timotheüs 4:4-5 (abusievelijk staat er Timotheüs 3 genoemd) en Titus 1:15 (blz. 38).

Puntsgewijs wordt de gelovigendoop met de kinderdoop vergeleken in hoofdstuk 9.

Hoofdstuk 10 noemt vele Bijbelteksten over de doop, zonder verdere toelichting. Hoofdstuk 11 bevat ‘overwegingen tot besluit’, waarin diverse eerdergenoemde argumenten pro gelovigendoop nog eens puntsgewijs worden herhaald. Het boekje sluit af met onder meer een levensschets van John Norcott. Hierin wordt de term ‘pedobaptisten’ gebruikt voor aanhangers van de kinderdoop. Interessant om te zien dat ook je woordkeuze voortvloeit uit je doopvisie.

Commentaar

In kort bestek komen veel argumenten langs om de gelovigendoop door onderdompeling als de enige juiste doopwijze te zien. Daarmee geeft dit boekje een goed inzicht in een baptistenvisie op de doop. Door de puntsgewijze behandeling van de doop krijgt de argumentatie echter iets fragmentarisch en wordt er onvoldoende ingegaan op de onderliggende theologische uitgangspunten van zowel de kinderdopers als de baptisten. Dat heeft iets onbevredigends. Daar staat tegenover dat de auteur vooral wil wijzen op wat de Bijbel zegt. Zijn gebruik van de Schrift om zijn visie te onderbouwen, is vaak verrassend eenvoudig en duidelijk, maar overtuigt de kritische 21-eeuwse gelovige echter niet altijd. Norcott is soms erg stellig in zijn conclusies, terwijl de aangehaalde teksten die als bewijs moeten gelden, veel meer ruimte voor andere interpretaties laten. Maar deze wijze van omgaan met de Schrift kennen we ook van de kinderdopers.

Ondanks zijn soms kort-door-de-bocht stellingname, is de toon van het boekje warm en pastoraal. Norcott wil de lezer aansporen om de eigen doopvisie te toetsen aan het Woord. Als dit boekje daartoe aanzet, is de opzet geslaagd.

John Norcott, De doop op duidelijke en getrouwe wijze opengelegd, Stichting Het Braambos (z.p. 2017) ISBN 9789076450087