J. de Boer, Verbond

print

Jildert de Boer, Hoe kijken wij naar het Joodse volk? in het perspectief van een natuurlijke of een geestelijke Israëlvisie

Waar in de Bijbel ‘Israël’ staat, passen velen dit toe op de kerk, ‘als een soort semi- of schijngeestelijk Israël, vanwege het stellen van de kinderdoop in plaats van de besnijdenis en de zondag in plaats van de sabbat, waarbinnen het natuurlijke geslacht opnieuw een grote rol speelt’ (blz. 26).

Israëlvisie

In het kader van de discussie rond kinderdoop/babydoop en volwassendoop/geloofsdoop is het van belang welke Israëlvisie je hebt. Moet je, naar analogie van het oude natuurlijke verbondsvolk Israël, de gemeente zien als een soort ‘nieuw natuurlijk Israël’? En moet je redeneren: de Joodse jongetjes werden als baby besneden, dus de kinderen van de gemeente moeten allen als baby worden gedoopt? Rechtvaardigt je verbondsvisie de kinderdoop? Of bepaalt je doopvisie hoe je naar het verbond kijkt? Het zijn interessante vragen, die je kijk op Israël raken.

Jildert de Boer schreef een nuchtere brochure over zijn Israëlvisie, die hij ‘tussenentingsleer’ noemt. Deze tussenentingsleer plaatst hij tussen de vervangingstheologie  (de kerk in de plaats van Israël, waarbij de zegeningen voor de Kerk zijn en de oordelen voor de Joden) en die Israëlsvisies, die de terugkeer van de Joden zonder bekering als vervulling van de Bijbelse beloften zien (blz. 1-2).

Tussenentingsleer

De tussenentingsleer kun je als volgt omschrijven: Het heil (Christus) is uit de Joden (Johannes 4:22). Christus en Zijn woorden vormen de saprijke wortel (Romeinen 11:17). Christus is het zaad van Abraham (Galaten 3:16), waar de beloften aan zijn gedaan (blz. 23).
God heeft Israël niet verstoten (Romeinen 1:1). Er is door Gods trouw (Romeinen 3:3,4, blz. 43) een overblijfsel, een gelovige rest (Romeinen 11:5).  De gelovigen uit de heidenen – die de naam van Sions kinderen zijn gaan dragen (Psalm 87 en Jesaja 44:5; vergelijk Esther 8:17) – zijn toegevoegd aan (tussengeënt) de gelovige Joodse rest. Samen vormen ze de gemeente, ‘gans Israël’ (Romeinen 11:26) (blz. 23-24, 44).
Niet Abraham of het Joodse volk, maar Jezus is de wortel van de edele olijf (Openbaring 22:16, Openbaring 5:5; Jesaja 11:1,10; Romeinen 15:12), waar de gelovigen uit de heidenen als wilde loot op geënt zijn, tussen de gelovige Joden (blz. 24).

Tegen vervangingsleer

Jildert wijst de vervangingsleer af, waarbij de gemeente in de plaats van Israël zou zijn gekomen en de zegeningen van het verbond voor de gemeente zouden zijn en de oordelen voor de Joden. Nee, de toorn van God blijft op een ieder (Jood en heiden) die aan de Zoon ongehoorzaam is (Johannes 3:36b, zie ook Romeinen 11:21, 22). De zegeningen komen evenwel over Jood en Griek (Galaten 3:28) die treden in het voetspoor van het geloof van Abraham (Romeinen 4:9-17). Zij zijn de erfgenamen van de belofte (Galaten 3:7, 9, 16, 26, 29).

Niet verstoten

Israël is als geheel niet verstoten (Romeinen 11:1,2). Een gelovige rest is er nog (Romeinen 11: 5, 7) (blz. 1-2, 24). De restgedachte vind je door de hele Bijbel terug, bijvoorbeeld: Jesaja 1:9; Jesaja 4:3; Jesaja 10:20-23; Jesaja 17:3-6; Jesaja 37:31; 1 Koningen 19:18; Ezra 1:5; Ezra 2:64, vergelijk Ezra 6:17; Ezechiël 20:34-38; Zefanja 3:11-13; Zacharia 13:8,9; Lucas 2:38; Romeinen 11:5) (blz. 43).
Het hartzeer van Paulus (Romeinen 9:2-3; Romeinen 10:1) en de ontferming over de Joden (zie Romeinen 11:11, 14, 20, 31) ontbreekt in de vervangingsleer (blz. 3-4).

Tegen filosemitisme

De andere in zijn brochure genoemde Israëlvisies wijst Jildert ook af: men is daarin erg positief over het Israël zonder Christus (terwijl Romeinen 1:16 duidelijk is). Israël en de gemeente worden losgekoppeld van elkaar, met soms zelfs een tweewegenleer: Joden zouden zonder Jezus Christus zalig kunnen worden (blz. 2, 3), wat niet kan (Galaten 2:15,16) (blz. 25).

Jildert moet niets hebben van antisemitisme, maar ook niets van een overdreven liefde voor en verering van Israël (filosemitisme), dat aardsgericht is (blz. 14-15). Jildert: Het gaat niet om een aards zogenaamd ‘heilige land’, dat slechts een schaduw is (Hebreeën 4:8) maar om een hemels vaderland (Hebreeën 11: 9, 10, 13, 16; vergelijk Johannes 8:56) (blz. 16, 42). ‘Bidden om de vrede van Jeruzalem’ (Psalm 122:6) is in de eerste plaats het bidden om ‘vrede in het hart met God door Jezus Christus’ (blz. 17).
De emigratie naar de hemelse gewesten door het geloof is van veel hoger belang dan de terugkeer van de Joden naar het aardse beloofde land (Efeze 2:6; vergelijk Colossenzen 1:13; Colossenzen 3:1-4; Filippenzen 3:20; Jesaja 14:2,3: terugkeer naar ‘de grond des Heren’; Galaten 4:26; Hebreeën 12:22) (blz. 18, 19, 20).

Schuldbelijdenis

Een collectieve schuldbelijdenis van christenen tegenover de Joden over wat hen in de loop der geschiedenis is aangedaan, acht De Boer niet nodig, want ieder mens is persoonlijk verantwoordelijk voor zijn eigen daden (Ezechiël 18:4, 19-20). Getuigen van Christus, ook bij Joden (Lucas 24:46) is echter wel nodig (blz. 5-6)!

1948 geen Godswonder

Israël genoot eertijds zekere voorrechten (Romeinen 2:17,18; Romeinen 3:1,2; Romeinen 9:4,5), maar heeft – een trouwe rest uitgezonderd – Gods verbond verbroken (Romeinen 2:24; Romeinen 9:31-33; Romeinen 10:3,4; Ezechiël 36:20,21) (blz. 45). Door ongehoorzaamheid verspeelde Israël de verbondsbeloften, waaronder de landbelofte (Genesis 15:18-21) (blz. 8-9), vergelijk Leviticus 18:28 (blz. 12-13) en Deuteronomium 4:27; Deuteronomium 28:63; Deuteronomium 29:28; Jozua 23: 15,16; Nehemia 9: 8, 26, 30) (blz. 13).
De landbelofte gold alleen bij gehoorzaamheid (Genesis 12:1-3; Genesis 17: 1,2, 9-14; Genesis 22:15-18; Genesis 26:4,5). Alleen wanneer de Joden zich bekeren, is er sprake van een (bijbelse!) terugkeer naar het natuurlijke land (Deuteronomium 30:1-10, vergelijk Romeinen 11:23). Het ontstaan van Israël in 1948 kan men daarom volgens De Boer ‘niet duiden als een Godswonder’ (blz. 13).
Joden buiten Christus ‘hebben geen privilege meer bij God. Zij staan op één lijn met de nakomelingen van Hagar, de Arabieren’ (Galaten 4:25; vergelijk Galaten 3:22) (blz. 19, 42).

Alleen Christus

In Christus is er geen onderscheid meer op grond van natuurlijke afkomst (Romeinen 2:9-11; Romeinen 3:21-23, 29; Romeinen 9:24; Romeinen 10:11-13; Handelingen 10:34-36; Handelingen 15:8-11; Colossenzen 3:11; 1 Corinthe 7:19; 1 Corinthe 12:12,13; Galaten 3:26-29; Galaten 5:6; Galaten 6:15; Efeze 2:14-22) (blz. 21); Johannes 10:16 (blz. 44).
Ook Joden moeten, evenals de heidenen, het Evangelie horen en worden alleen door Christus behouden (Handelingen 15:11; Handelingen 20:21, Handelingen 26:20) (blz. 27). Christus is voor Jood en heiden de enige weg tot behoud (Johannes 14:6; Handelingen 4:12; 1 Timotheüs 2:6,7). Zonder Christus kun je niet bij God de Vader komen (Johannes 5:23b; Johannes 8:42; Johannes 15:23; 1 Johannes 2:23; Johannes 17:3; 1 Johannes 4:15; 1 Johannes 5:12) (blz. 38-39, 40).
Christus is in de eerste plaats voor de Joden gekomen (Handelingen 3:25-26). Maar wie niet naar Jezus hoort, wordt uitgeroeid (Handelingen 3:23), dus ‘verwijderd uit het volk van God’ (blz. 28).
Nooit zal Israël vernietigd worden (Leviticus 26:44,45; Deuteronomium 4:31), maar ‘een vorstelijk aandeel voor de gemeente opleveren’ (blz. 43). ‘God geeft Israël altijd kansen tot bekering’ (blz. 44).

Volheid van de heidenen

Romeinen 11:25-26 betekent niet, dat eerst de volheid van de heidenen moet geschieden en dat daarna/dan gans Israël behouden zal worden. Nee, het woord ‘daarna’ of ‘dan’ ontbreekt. Bedoeld is: aldus (= op die wijze, langs die weg) (blz. 25).

Nieuwe verbond

Het nieuwe verbond is een beter verbond, met betere beloften (Hebreeën 8:6), van een hoger, hemels niveau, met een hemelse roeping (Hebreeën 3:1), hemelse erfenis (1 Petrus 1:4), hemels denken (Colossenzen 3:1-4), hemels burgerschap en hemelse wandel (Filippensen 3:20; Efeze 2:6) en een hemels Jeruzalem als onze moeder (Galaten 4:26, met verwijzing naar Jesaja 54:1, vergelijk Hebreeën 13:14), de stad van de levende God (Hebreeën 12:22), het nieuwe Jeruzalem, nederdalende uit de hemel (Openbaring 21:2, 10, 11, 23; Openbaring 22:14,19; vergelijk Openbaring 3:12 en Openbaring 20:9).  Het tegenwoordige, aardse Jeruzalem speelt in het nieuwe verbond geen rol meer. Er wordt daar alleen nog in negatieve zin naar verwezen in Openbaring 11:8.

Geestelijk Israël

Het gaat in het nieuwe verbond niet om natuurlijke afstamming, maar om geestelijke afstamming (Romeinen 9:6, 8; Galaten 3:29; Galaten 4:28; Galaten 6:15, 16; Romeinen 2:28-29; Filippenzen 3:3; Johannes 8:34-39, vergelijk Mattheüs 3:8,9) (blz. 27, 39-40, 42-43). De gemeente van het nieuwe verbond wordt getypeerd als een ‘wedergeboren, hemels volk met een geestelijke besnijdenis van het hart’ (Colossenzen 2:11; Filippenzen 3:3) en een ‘geestelijke, innerlijke sabbat die de ware rust is’ (Hebreeën 4:9,10; Colossenzen 2:16,17) (blz. 26). Dit is het geestelijke Israël (uit Jood en heiden, Handelingen 15:14-18; Amos 9:11, 12), het geestelijk nageslacht van Abraham (Galaten 3:29, vergelijk vers 7,9, 16; Romeinen 4:11-13, Romeinen 9:6-8) (blz. 26, 41, 45).

Geestelijk huis

Een zichtbare tempel is in het nieuwe verbond niet meer aan de orde (Mattheüs 23:38; Mattheüs 24:1,2; Handelingen 7:48,49, vergelijk Handelingen 17:24; Hebreeën 9:1, 23,24) (blz. 31). God woont in Zijn gemeente (Efeze 2:21, 22; 2 Korinthe 6:16; 1 Petrus 2:5; 1 Timotheüs 3:15; 1 Korinthe 3: 16,17; Hebreeën 3:6, vergelijk Zacharia 6:12, 13). Ook in 2 Thessalonicenzen 2:4 en Openbaring 11:1,2 (vergelijk vers 19) en Ezechiël 40 tot 48 gaat het om de gemeente, Gods geestelijke huis (Hebreeën 3:6). Zichtbare stenen heiligdommen hebben in Gods ogen geen betekenis meer (blz. 32, 33-34).
Er hoeft geen discussie te zijn over een aardse tempelberg, aldus De Boer. Het gaat om de berg Sion, het hemelse Jeruzalem (Hebreeën 12:22; Openbaring 14:1; Galaten 4:25, 26) (blz. 34, 35). Jesaja 43:6 gaat niet over de terugkeer naar het natuurlijke Israël, maar over de gemeente (zie 2 Korinthe 6:18) (blz. 35).

Profetie

Veel oudtestamentische profetieën laten de apostelen slaan op de gemeente van het nieuwe verbond, bestaande uit gelovige Joden en heidenen (bijvoorbeeld Hosea 1:10-12 en Hosea 2:22 wordt door Paulus in Romeinen 9:24-27 ‘zo toegepast, waarbij naar Jesaja altijd ook een overschot uit Israël behouden zal worden’) (blz. 27). Oudtestamentische profetieën moeten gelezen worden in nieuwtestamentisch licht. ‘Christus is de zin van de profetie’ (Johannes 5:39; vergelijk Handelingen 10:43) en de vervulling van de profetie (2 Korinthe 1:20; vergelijk 1 Petrus 2:6,7 en zie ook 1 Petrus 1:10-12) (blz. 29). ‘Na de komst van Christus worden er geen profetieën meer vervuld aan het vleselijke nageslacht van Abraham, maar alleen aan zijn geestelijke zaad’ (blz. 30).

Zendingsroeping onder Joden

Wat het Israël naar het vlees (1 Korinthe 10:18) is overkomen, is een waarschuwend voorbeeld voor de gemeente ( 1 Korinthe 10: 6, 10, 11, vergelijk Romeinen 15:4, 9-12; Hebreeën 3:7-19; Hebreeën 4:1-13). Jezus zegt tegen het natuurlijk Israël, dat het Koninkrijk Gods van hem weggenomen wordt en aan de gemeente van gelovige Joden en heidenen wordt gegeven (Mattheüs 21:43, vergelijk Mattheüs 8:11,12 en Lucas 19:41-44). Nu is de gemeente het middel en niet meer het natuurlijk Israël (Efeze 3:10) (blz. 36). De gemeente (uit Jood en heiden) heeft een zendingsroeping om Joden te winnen voor Christus, want zij kunnen wedergeënt worden (Romeinen 11:23; 2 Korinthe 3:15,16) (blz. 46). ‘Laten we ons niet beroemen tegen de (natuurlijke) takken, die weggebroken zijn’ (Romeinen 11:17-20), maar in de voetsporen van Paulus treden om zo mogelijk door God gebruikt te worden tot behoud van Joden (Romeinen 11:14; Romeinen 10:1; Romeinen 9:1-3). ‘Geve God ons een brandend hart daartoe!’ (blz. 47).

Commentaar van Heiligedoop.nl

Wie de moeite neemt alle geciteerde Bijbelteksten na te lezen, komt onder de indruk van de boodschap van het Evangelie. Jilderts’ Israëlvisie maakt duidelijk, dat we als gelovigen vooral gericht moeten zijn op ‘het geestelijke’, dus niet op een aards(e staat) Israël of op een natuurlijke afstamming. Het gaat om het geestelijke Koninkrijk van God.

Roeping

Tegelijkertijd schrijft hij het Joodse volk niet af. Zo hebben we hebben een roeping om in ons aardse leven ook met de Joden het universele Evangelie te delen. Hem kan ook geen vervangingstheologie worden verweten, want dat de gemeente in de plaats van Israël is gekomen, ontkent hij. Nee, de christenen uit de heidenen vormen samen met de christenen uit de Joden de nieuwtestamentische gemeente.

Andere verbondsvisie

Voor ons gevoel gaat Jildert de Boer niet zo ver als Walter Tessensohn in zijn boek, maar de visie van Jildert schuurt daar wel tegenaan. Zijn verbondsvisie staat tegenover de gereformeerde verbondsvisie, die de natuurlijke lijn uit het oude verbond doortrekt naar het nieuwe verbond, door de stellen dat de kinderen van gelovigen tot het (erf van het) verbond behoren, zonder dat zij aan de eis van geloof en bekering gehoor hebben kunnen geven.
Jildert benadrukt dat die natuurlijke lijn (zoals in het oude verbond) er in het nieuwe verbond niet meer toe doet: het gaat om geloof, wedergeboorte, bekering! Zijn aangehaalde Bijbelteksten onderstrepen dat.

Natuurlijk versus geestelijk

Kun je zeggen, dat het sinds het Nieuwe Testament het alleen nog maar om het ‘geestelijke’, het ‘hemelse’ gaat, en dat het aardse, de natuurlijke lijn, het natuurlijke Joodse volk en land weinig betekenis meer heeft? Het antwoord op deze vraag staat of valt met hoe je ‘Israël’ opvat: als natuurlijk volk of als geestelijk volk (de ‘rest’ van Israël, het ware geestelijke Israël). En duidt je ‘Israël’ als een land op aarde of enkel geestelijk?

Joden naar het vlees

Het is opvallend dat het Nieuwe Testament benadrukt, dat in Christus het feit dat je Jood of heiden bent, wegvalt (Galaten 3:28). Dat zou ervoor kunnen pleiten om geen belang meer te hechten aan een Joodse afkomst. Maar in Romeinen 9:3-5 heeft Paulus het over de natuurlijke Joden: ‘mijn verwanten wat het vlees betreft. Zij zijn immers Israëlieten; voor hen geldt de aanneming tot kinderen en de heerlijkheid en de verbonden en de wetgeving en de eredienst en de beloften’. Het natuurlijke volk wordt nog steeds als aparte ‘categorie’ genoemd, zo ook in Romeinen 11. Voor christenen uit de heidenen heeft het natuurlijke volk van de Joden nog betekenis: als waarschuwing (vergelijk Mattheüs 3:8-10; Romeinen 2:28-29; 1 Korinthe 10:1-12) en om eraan herinnerd te worden dat ook christenen uit de heidenen van genade leven (Romeinen 11:17-22).
Dergelijke teksten zorgen voor vragen bij de visie van Jildert de Boer, zonder deze direct af te wijzen.

Gemeente

Overigens geeft de Bijbel, naar analogie van het natuurlijk Israël en de ‘rest’ (het ‘Israël Gods’), geen aanleiding om de Gemeente van Christus (die per definitie ‘geestelijk’ is en uit gelovigen bestaat) te verdelen in een geestelijk deel (de gelovigen, wederomgeborenen, bekeerden) en een natuurlijk deel. De gemeente wordt in de Bijbel altijd aangesproken op haar geloof en belijden in woord en daad. Wel lees je van mensen die tijdelijk in de gemeente actief waren, maar daar niet toe behoorden en vertrokken (1 Johannes 2:19). Op basis van de praktijk kun je spreken van de ‘zichtbare kerk’, waarin mogelijk ook niet-christenen zich bevinden. Bijbels gezien behoren die echter niet tot de gemeente. De Bijbel spreekt zich niet duidelijk uit of de pasgeboren baby’s van de gelovige gemeenteleden tot de gemeente moeten worden gerekend (lees hierover meer bij de boekbesprekingen van W.C. van Dam en W.J. Ouweneel).

Alternatief

Zowel het boek van Tessensohn als deze brochure van Jildert de Boer zijn duidelijk in hun visie. Ze tonen aan, dat je op grond van de Bijbel tot een andere verbondstheologie kunt komen dan de gereformeerde verbondstheologie, waardoor de vanzelfsprekendheid van de zuigelingendoop (‘als je christelijke ouders hebt, behoor je gedoopt te wezen’) komt te vervallen.

Jildert de Boer, Hoe kijken wij naar het Joodse volk? in het perspectief van een natuurlijke of een geestelijke Israëlvisie, Uitgave “Verdieping en Aansporing”, Harderwijk 2001, ISBN 90-803836-4-3