J. van Genderen

print

Dr. J. van Genderen, Verbond en verkiezing

De christelijke gereformeerde dr. J. van Genderen schreef een interessant boek over de spanning tussen verbond en verkiezing en hoe theologen en kerkgenootschappen daarmee omgingen en omgaan.

Wat is het probleem?

De gereformeerde leer kent drie elementen, die ogenschijnlijk met elkaar conflicteren:

a) het verbond van God. Volgens de gereformeerde leer zijn alle gelovigen met hun kinderen in het verbond van God begrepen. Voor hen geldt de belofte: ‘Ik zal u tot een God zijn en u zult Mij tot een volk zijn.’ Daarom moeten volgens de gereformeerde leer kinderen van gelovigen worden gedoopt.

b) de verkiezing van God. God bepaalt wie uitverkoren is (en dus gered worden). Dat is genade.

c) het geloof in God. Om gered te kunnen worden, is geloof – als gave van God -nodig.

Dit roept vragen op als:  Gaat het nu om de uitverkiezing, het ‘in het verbond zijn’ of om geloven? Welk element is het belangrijkst? Welk element heerst over de andere twee elementen? Wat is de betekenis en reikwijdte van het verbond? Welk nut heeft het in het verbond zijn, als je niet gelooft of niet uitverkoren bent? En hoe verhoudt dit zich tot de beloften die in het verbond aan je worden gegeven?

Door de praktijk van de zuigelingendoop, waardoor aan alle gedoopte kinderen van gemeenteleden Gods beloften verzegeld worden, worden bovenstaande vragen een theologische knoop. Verschillende theologen en kerkgemeenschappen hebben pogingen gewaagd om bevredigende antwoorden te vinden en de knoop te ontwarren. Van Genderen gaat hier uitgebreid op in.

Twee- en drieverbondenleer

Volgens de drieverbondenleer (Christelijke Gereformeerde Kerken) is er het verbond der werken, het verbond der verlossing en het verbond der genade. Het verbond der werken is gesloten met Adam. De inhoud was: ‘Gehoorzaam God en je zult eeuwig leven’. Omdat Adam niet gehoorzaamde, is dit verbond verbroken. In het verbond der verlossing (met Christus opgericht) zijn alleen de uitverkorenen begrepen. Het verbond der genade is ruimer: hierin zijn alle gelovigen met hun kinderen begrepen. Het verbond der genade valt dus niet samen met het verbond der verlossing. Alle kinderen van gemeenteleden kunnen worden gedoopt. De doop is dan het teken dat ze in het verbond der genade zijn opgenomen. Dat hoeft dus niet te betekenen dat zij ook uitverkoren zijn.
De tweeverbondenleer (o.a. Gereformeerde Gemeenten) stelt dat er, naast het verbond der werken, alleen het verbond der genade is, waarin alleen uitverkorenen zijn begrepen. Toch ontvangen alle kinderen van de gemeenteleden de doop als het teken van het genadeverbond. Zijn ze daarmee allemaal uitverkoren? Nee, want daarvoor is wedergeboorte en geloof nodig. Daarom wordt er een onderscheid gemaakt tussen bediening en wezen van het verbond. Allen worden gedoopt (= de bediening), maar de inhoud (= het wezen) van het verbond geldt alleen voor de uitverkorenen. Het onderscheid tussen bediening en wezen kan ook anders genoemd worden. Zo kom je ook tegen: uitwendig en inwendig in het verbond, tweeërlei kinderen des verbonds of:  op het erf van het verbond versus in het verbond.

Waarde van de doop

Theologisch wordt het verschillend geduid, maar het probleem blijft echter hetzelfde: Wat is de waarde van de doop, als er geen geloof bijkomt? Je zou kunnen zeggen: in de doopbediening biedt God Zijn genade aan. Daarmee heeft de doop in zichzelf al waarde, ook al ga je later niet geloven. De Gereformeerde Gemeente in Nederland, een afsplitsing van de Gereformeerde Gemeenten, wilde daar – bij monde van dr. Steenblok – niet van weten. Steenblok leerde dat het verbond alleen voor de uitverkorenen was. Toch moesten alle kinderen van de gemeente gedoopt worden. Wat betekende dan de doopbediening voor die kinderen, als ze niet-uitverkoren waren? Steenblok: ‘Velen worden wel gedoopt maar dan om der uitverkorenen wil, omdat die naar Gods eigen instelling gedoopt moeten worden, en beiden samenwonen in een en dezelfde gemeente.’ De belofte van het verbond, die de grond voor de doop is, behoort ” uitsluitend de uitverkorenen toe, terwijl voor verworpenen alleen maar de vloek wordt betekend en verzegeld”.'(blz. 14) Steenblok leert dus niet tweeërlei kinderen des verbonds (uitverkorenen en niet-uitverkorenen in het verbond), maar een tweeërlei doopsbediening: de doop is voor de uitverkorenen teken en zegel van de genade van God. Voor de verworpenen is de doop een teken en zegel van de vloek. Leert de Bijbel dat, of bepaalt hier een verkiezingsleer de betekenis van de doop? Abraham Kuyper besefte ook de spanning tussen de gereformeerde verbondsleer, de verkiezing en het geloof. Hij loste deze spanning op door te veronderstellen dat alle kinderen van de gelovigen tot de uitverkorenen behoren en wedergeboren zijn:  ‘Ge wordt gedoopt, in de onderstelling dat ge wedergeboren zijt.’ (blz. 23).

Irenaeus, Zwingli, Bullinger en Luther

In het tweede deel van dit boek behandelt Van Genderen de geschiedenis van de verbondstheologie. Irenaeus wordt wel eens de grondlegger van de foederaaltheologie (verbondstheologie) genoemd. Maar pas in en na de Reformatie werd de verbondsgedachte echt ontwikkeld, als reactie op het doperse denken (blz. 76-77).
De oorsprong van de verbondsleer ligt bij de theologen Zwingli en Bullinger. De dopersen noemden zich ‘bondgenoten’ en zagen het Oude en Nieuwe Testament als tegenstellingen. Het verbond met Abraham was iets anders dan Gods verbond met de christenen. Zwingli koppelde het verbond met Abraham wel aan het Nieuwe Verbond. Bullinger borduurde voort op de gedachten van Zwingli, maar werd ook beïnvloed door Luther. Luther schreef in 1519 zijn bekende dooppreek. In zijn ‘De captivitate babylonica ecclesiae’ schrijft hij: ‘God heeft nooit anders met de mensen gehandeld en nooit handelt Hij anders dan door het woord der belofte.’ De belofte is voor Luther de samenvatting van de verkondiging. Hoewel Luther de beloften van het Oude Testament laat gelden voor wie onder het Nieuwe Testament leeft, ziet hij wel een verschil. In het Oude Testament is het beloofde goed van tijdelijke aard, in het Nieuwe Testament is het een eeuwig goed, namelijk de vergeving van zonden.
Heinrich Bullinger werkte de verbondsleer uit in zijn ‘De testamento seu foedere Dei unico et aeterno’ ( 1534). In tegenstelling tot Luther stelt hij vast, dat in het Oude Testament zowel de aardse als geestelijke zegeningen worden beloofd. Bullinger ziet vijf verbonden: 1) het verbond met Adam na de zondeval, 2) het verbond met Noach, 3) het verbond met Abraham,  4) het verbond bij de Sinaï, 5) het verbond door Jezus Christus.

Johannes Calvijn

Calvijn trekt de lijn van het verbond met Abraham door naar het Nieuwe Testament. Het genadeverbond is – in tegenstelling tot wat de anabaptisten beweren – één. Calvijn maakt een onderscheid tussen het wezen van het verbond ( in Oude en Nieuwe Testament eender) en de bediening van het verbond. Het wezen is de genadige aanneming tot kinderen van God.
De bediening van het verbond verschilt in het Oude met het Nieuwe Testament. In het Oude Testament liet God Israël in aardse zegeningen zien, wat de hemelse erfenis inhield. In het Oude Testament ging het om een testament van dienstbaarheid, in het Nieuwe Testament om vrijheid. Calvijn zegt, dat de noodzakelijkheid van het geloof voortvloeit uit het verbond zelf. Anders hebben de beloften geen uitwerking. Dan baat het verbond niet. Geloof is echter geen ‘voorwaarde’ om in het verbond te komen, maar ‘om in het verbond te blijven en de zegen ervan te ontvangen’ (blz. 78).
God belooft, maar vraagt wel om geloof en gehoorzaamheid. In het verbond belooft God het geloof, dat een gave van Hem is. Er is één genadeverbond, maar er zijn tweeërlei verbondskinderen. Allen worden zonder uitzondering voor kinderen van God gehouden, ‘maar in het verborgen heiligdom van God worden geen anderen als kinderen van God beschouwd dan degenen in wie de belofte door het geloof bevestigd is…’ (blz. 78).
Calvijn legt – volgens Van Genderen – meer de nadruk op de heilstoezegging dan op de ‘gemeenschapsbetrekking tussen God en de gelovigen’ in het verbond (blz. 78-79). Het klassieke doopsformulier zorgde er mede voor,  dat de gereformeerde verbondsleer ingang vond in de kerken (blz. 79).

Ursinus en Olevianus

De verbondsleer stond ook in Heidelberg hoog aangeschreven. Daar doceerden Ursinus en Olevianus, de opstellers van de Heidelbergse Catechismus. Ursinus verdedigde de kinderdoop vanuit de gedachtegang dat bij kinderen van gelovige ouders de wedergeboorte moet worden verondersteld. ‘De kinderen van de gelovigen hebben [ …] vanwege de genade van het verbond een neiging tot godsvrucht’ (blz. 80). Het lijkt dat Olevianus het verbond tot de uitverkorenen beperkt, maar dat is – volgens Van Genderen – niet het geval.

Puriteinen

In de theologie van de Puriteinen werd het verbond uitgebreid beschreven (zie onder meer de Westminster Confessie en de Grote Catechismus van Westminster). Als reactie op het remonstrantisme krijgt de verkiezingsleer in de verbondsleer van de Puriteinen een grote plaats.

Coccejus

Het standaardwerk van de foederaaltheologie is Coccejus’ Summa doctrinae de foedere et testamento Dei (1648).

Woelderink en Schilder

In de 20e eeuw ging het over de verhouding verkiezing en verbond, de plaats van de kinderen, de verbondsbelofte en wat door de doop verzegeld wordt. Woelderink bestrijdt het idee van een intern en extern verbond en dat het verbond alleen met de uitverkorenen zou zijn opgericht. Volgens Woederink zijn de beloften onvoorwaardelijk gegeven. ‘De verplichting van het verbond is alleen in die zin een voorwaarde, dat zonder de vervulling ervan van een leven in verbondsgemeenschap met God geen sprake kan zijn’ (blz. 84). Schilder laat veel meer de uitverkiezing in zijn verbondsleer een rol spelen. Niet dat volgens hem het verbond alleen met de uitverkorenen is opgericht. Maar hij benadrukt de verantwoordelijkheid van de bondeling. De mens kan het verbond verbreken.

Barth en later

Van Genderen bespreekt ook nieuwere verbondvisies, die buiten de gereformeerde leer vallen. Te denken valt aan de verbondsleer van Karl Barth, die nogal universalistisch is: de schepping is bij hem ‘de uitwendige grond van het verbond en het verbond de inwendige grond van de schepping. Verbond en schepping zijn twee kanten van dezelfde zaak’ (blz. 87). Karl Barth kent geen spanning tussen verkiezing en verbond. Volgens Barth is het genadeverbond met de mens als zodanig opgericht. Alle mensen zijn in Christus verkoren (blz. 33). Andere theologen stellen ook de beslissende rol van de mens als partner in het verbond centraal. De grenzen van het verbond vervagen en verdwijnen zo.

Commentaar

Na lezing van dit boek is één ding duidelijk: het is ingewikkeld geworden. Ook Van Genderen komt er niet uit. De vragen blijven. De oorzaak ligt mijns inziens in het – koste wat het kost – handhaven van de zuigelingendoop op grond van een verbondsvisie, waarbij het verbond dat God sloot met Abraham en zijn nageslacht wordt verward met het Nieuwe Verbond. Aan dit Nieuwe Verbond krijg je overigens deel door – van God gegeven – geloof.
Waar het verbond heerst over de verkiezing en geloof, komen de verkiezing en de eis om te geloven onder druk te staan. Alsof ‘het bondeling zijn’ dan het belangrijkste is.
Waar de verkiezing heerst over het verbond en geloof, wordt er een slag om de arm gehouden bij het verbond en wordt de eis van geloven ondergraven (je moet immers uitverkoren zijn).
Waar benadrukt wordt dat het aankomt op geloven en beleden wordt dat dit een gave van God is, krijgt het verbond en de verkiezing de juiste plaats. De verkiezing is dan een troost voor de gelovige (God heeft mij uitverkoren; Hij gaf mij geloof). Het besef dat je opgenomen bent in het verbond spoort je aan om met alles wat je hebt, te leven voor God en Hem te loven en te prijzen voor Zijn wonderbare genade!

Dr. J. van Genderen, Verbond en verkiezing, uitgeverij Kok Kampen 1983 (2e druk 1992), ISBN 90 242 2983 9