G. de Ru

print

Dr. G. de Ru,  De kinderdoop en het Nieuwe Testament

 

De hervormde predikant G. de Ru promoveerde in 1964 bij prof. dr. G. Sevenster aan de Rijksuniversiteit Leiden op dit proefschrift over de kinderdoop en het Nieuwe Testament.  In boeken over de kinderdoop die in de decennia daarna verschenen, wordt vaak naar dit proefschrift verwezen.

De doop in de kerkgeschiedenis

De Ru doet een poging om de kinderdoop te legitimeren, vooral naar aanleiding van de kritiek die de theoloog Karl Barth sinds 1939 op de kinderdoop had geuit. Na een inleidend hoofdstuk over de kinderdoop als probleem behandelt hij de doop in de kerkgeschiedenis. Dat is gelijk het meest interessante hoofdstuk. Hij gaat daarbij te rade bij vroege christelijke schrijvers. We noemen enkele resultaten uit zijn onderzoek:

  • Vóór de kerkvader Irenaeus (in 178 na Christus is hij bisschop van Lyon) zijn er geen bronnen bekend over een kinderdooppraktijk. Dat kan volgens De Ru op twee manieren worden uitgelegd: de kinderdoop werd voor de tijd van Irenaeus niet toegepast of was vanzelfsprekend.
  • Irenaeus maakte wel melding van de doop van kinderen. Hij definieerde de doop als ‘renasci in Deum’: een wedergeboren worden tot God. Dat gold volgens Irenaeus ook de zuigelingen.
  • Tertullianus (ongeveer 160-220) schreef in zijn bekende ‘De Baptismo’: Doop geen kleine kinderen, want ze zullen later nog veel zonden doen. Zuigelingen hebben de zondevergeving nog niet nodig.
  • Justinus Martyr (gestorven omstreeks 165) schreef in zijn Apologie over mannen en vrouwen van 60 en 70 jaar, die in hun kinderjaren al discipelen van Christus waren. De Ru veronderstelt dat zij als kind zijn gedoopt in de jaren 80-90 na Christus.
  • Polycarpus (gestorven in 156) zei dat hij al 86 jaar de Heere diende. De Ru concludeert: Dan moet Polycarpus in 70 na Christus zijn gedoopt als kind.
  • Origenes (185/186-254) zei dat de Kerk van de apostelen de traditie ontving om de kinderen te dopen.
  • Gregorius van Nazianze (gestorven 390) had reserves ten aanzien van de kinderdoop. Hij vond dat er gewacht moet worden met het dopen totdat het kind drie jaar is, zodat de dopeling enig vermoeden van de betekenis van de doop kon hebben.

De Ru concludeert:  ‘Naarmate men directer verband ging leggen tussen doop en afwassing der erfzonde – door de doop als ,,einmalig” onherhaalbaar gebeuren bewerkstelligd – groeide de tendens de doop uit te stellen tot later tijd.’ (blz. 17)

  • Pelagius (384 na Christus) was tegen de kinderdoop omdat hij niet in erfzonde geloofde. Als er geen erfzonde bestaat, is volgens hem zuigelingendoop ook niet noodzakelijk.
  • Augustinus (354-430) kende de kinderdoop een goddelijk gezag toe en maakte een einde aan het pelagiaanse verzet tegen de kinderdooppraktijk. Volgens Augustinus was de doophandeling noodzakelijk om de erfzonde af te wassen. Daarom pleitte hij voor het dopen van zuigelingen. Vanaf Augustinus is het dopen van zuigelingen de aanvaarde kerkelijke praktijk.

Als reactie tegen ingezonken geestelijk leven, aldus De Ru, werd er door sommigen de nadruk gelegd op de individuele geloofsbeslissing, waardoor zij tegen de kinderdoop waren. Hij noemt de Albigenzen of Katharen in de twaalfde eeuw, de Waldenzen, John Wycliff (1328-1384), de Hussietten en de (Weder)dopers en doopsgezinden in de 16e eeuw. In de twintigste eeuw kwam daar Karl Barth bij. Barth stelde vast:

– Er is geen Schriftbewijs voor de kinderdooppraktijk en deze is ook niet in overeenstemming met de doopleer van het Nieuwe Testament. Daar is sprake van een nauwe relatie tussen geloof en doop.

– De vrijheid van de Heilige Geest moet worden gerespecteerd. Deze roept mensen tot geloof naar Zijn welgevallen. Dat gaat niet buiten het horen van het Woord om.

– De oudste kerk kende de kinderdooppraktijk niet. In de tweede eeuw wordt hier melding van gemaakt, maar deze kinderdooppraktijk is pas in de vierde eeuw, bij de opkomst van het Corpus Christianum na Constantijn de Grote (288-337), steeds algemener geworden.

– Doop is niet in de plaats van besnijdenis gekomen. Besnijdenis is alleen voor Israël naar het vlees.

–  Je kunt niet krachtens je geboorte christen zijn. Het gaat om een geestelijke relatie met Christus. De afstamming heeft geen betekenis meer (zie Johannes 1:12,13).

– Er is onderscheid tussen de geestesdoop en de waterdoop. Geestesdoop is de grond voor de waterdoop. Geestesdoop is het werk van God.

– De waterdoop is menselijk handelen, geen sacrament. Slechts het menselijk antwoord, een openlijk belijden. Doop is dus handelen van de mens. De doop doet het heil kennen, maar bewerkt het niet.

Volgens Barth hangt de kinderdooppraktijk samen met de Corpus Christianumgedachte. Men hield vast aan de kinderdoop, omdat Luther bang was dat – als deze werd afgeschaft – er onvoldoende gedoopten zouden zijn.

De uitleg van diverse Bijbelgedeelten zag Barth zo:

Joh. 5:5-8 en Joh. 19:33-37 hebben niets met doop te maken.

Hebr. 10:22; Ef. 5:25; Tit.3:5; Gal 3:27 herinneren aan de doop, maar verwijzen niet naar de kracht van de doop, maar naar de kracht van de Heilige Geest.

Joh. 3:5 moet zo gelezen worden: Niet de doop, maar de Geest bewerkt de vernieuwing.

1 Petr.3:21; Hand. 22:15: De doophandeling is hier aanroeping en gebed.

Rom. 6:3; Col. 2:12: Doop is de bevestiging achteraf van de begrafenis met Christus.

Marc. 16:16 De doop is het werk van de mens, náást het geloof.

Proselietendoop

In een volgend hoofdstuk gaat De Ru in op allerlei doopteksten en behandelt hij de doop in de oudste christelijke gemeenten. Daarin concludeert hij, dat het bij de eerste christenen ging om het geloof in de naam van Jezus, ‘waarbij dan doop, vergeving der zonden, handoplegging en gave des Geestes als vanzelfsprekend volgen’ (blz. 42), al viel dat niet altijd samen en varieerde in bepaalde situaties de volgorde van de doop en het ontvangen van de Geest.

In tegenstelling tot Barth, die stelt dat de doop slechts een cognitieve, symbolische betekenis heeft, zegt De Ru dat Paulus de doop ziet als een heilsgebeuren: De dopeling wordt in en door de doop werkelijk begraven en staat op met Christus (blz. 63-64).

De Ru zegt behartenswaardige zaken over de doopteksten die hij bespreekt. Aan het eind van het hoofdstuk, we zijn inmiddels op bladzijde 139 belandt, wil hij de kinderdoop gaan behandelen, al wordt deze volgens hem nergens expliciet in het Nieuwe Testament genoemd. Daarom neemt hij in het volgend hoofdstuk zijn toevlucht tot de proselietendoop: de doop die heidenen en hun kinderen sinds de eerste eeuw na Christus, ‘zo al niet eerder’ (blz. 144) ondergingen als zij Jood werden. Vanuit die proselietendooppraktijk wil De Ru de kinderdooppraktijk rechtvaardigen. Hier maakt De Ru een vreemde beweging. Hij vergeet wat hij vanuit de Bijbel heeft opgediept over de betekenis van de doop en gaat met een buitenbijbels gegeven – de proselietendoop – de kinderdoop proberen aannemelijk te maken.

Vooringenomenheid

Vooringenomenheid om koste wat het kost de zuigelingendoop acceptabel te laten zijn, ligt er in dit proefschrift duimendik bovenop. Het boek staat vol met aannames, waardoor het niet overtuigt. Het verschil met niet-wetenschappelijke publicaties is, dat De Ru voortdurend allerlei theologen citeert (en soms ook bekritiseert). Om de kinderdooppraktijk te rechtvaardigen, vult De Ru pagina na pagina met citaten van theologen in plaats van dat hij de Schrift laat spreken of interpreteert.

In het hoofdstuk over de zogenoemde oikos-teksten gaat De Ru met zijn vooronderstellingen verder, waardoor zijn betoog wederom teleurstelt en meer vragen oproept dan het beantwoordt. In het vervolg wordt hij steeds polemischer om zijn gelijk te halen. Als het gaat over de relatie besnijdenis-doop, herhaalt  hij de onder gereformeerden bekende argumentatie voor de kinderdoop zonder deze kritisch en met enige distantie te bezien. Zijn gelijk probeert hij ook hier te onderstrepen door andere theologen te citeren.

In het hoofdstuk over ‘doop en geloof’ lost hij het probleem voor de kinderdoop op door te stellen dat het in de Bijbel om een zendingssituatie ging, waar het Evangelie verkondigd werd aan volwassenen. Ook hanteert hij het argument dat God bij de kinderdoop de eerste is (alsof dat niet geldt bij de gelovigendoop. God geeft immers het geloof). Kortom, De Ru brengt geen nieuwe steekhoudende argumenten in, maar sleept er steeds van alles bij.  Zo zou het bij de doop van kinderen gaan om het geloof van de Gemeente (blz. 250) in plaats van het geloof van de dopeling, om maar iets te noemen. Hoe dat te rijmen is met de Bijbelse gegevens over de doop wordt niet duidelijk. Van een proefschrift hadden we meer verwacht dan een vooringenomen betoog met weinig nieuws en herhaling van stellingen. Misschien komt het, dat in de jaren zestig – toen dit proefschrift verscheen – men alleen de pijlen hoefde te richten op Karl Barth om de lezer tevreden te kunnen stellen. Dan is dit proefschrift duidelijk verouderd en kan het terzijde worden gelegd.

Dr. G. de Ru,  De kinderdoop en het Nieuwe Testament, derde druk, H. Veenman & zonen N.V., Wageningen 1968 (1e druk 1964)